dinsdag 6 oktober 2015

Wie vertelt het verhaal verder?

Vanavond vond in het parochiecentrum van de St.Lambertusbasiliek in Hengelo de eerste bijeenkomst van dit seizoen van de Lambertus Academie plaats. Als spreekster was Stire Kaya-Cirik uitgenodigd, schrijfster van het boek “Echo uit een onverwerkt verleden” om in het kader van de 100-jarige herdenking van de Syrisch-Orthodoxe slachtoffers van 1915 iets te vertellen over de Arameeërs (“achtergronden van een ontheemd volk”) maar ook over de christelijke opdracht de daders te vergeven.


De genocide van 1915 is vooral bekend als “Armeense Genocide”, maar het massale geweld keerde zich niet alleen tegen de Armeense maar ook tegen Aramese en Pontisch-Griekse christenen in het Ottomaanse Rijk. In het Aramees wordt de genocide “Seyfo” genoemd. Of “shato d’seyfo”: het jaar van het zwaard. Sommige dorpen zijn toen volledig uitgemoord en van de aardbodem verdwenen. De meeste overlevenden waren vrouwen en jonge kinderen (tot 5 jaar). De overlevende vrouwen werden veelal gedwongen met Turkse of Koerdische moslim-mannen te trouwen en hun kinderen in een islamitisch gezin op te laten groeien. Die kinderen wisten uiteindelijk niet beter dan dat ook zij moslim waren, net als hun stiefvader.

In het enkele jaren geleden uitgekomen boek “Het geheim van mijn grootmoeder” vertelt de Turkse schrijfster Fethiye Cetin over het schokkende verhaal dat haar grootmoeder haar kinderen en kleinkinderen vertelde vlak voordat zij stierf. Ze had zich haar hele leven als trouw echtgenote en moeder in een Turks, islamitisch gezin gedragen maar wilde haar geheim niet meenemen in haar graf en vertelde dat zij eigenlijk Armeens christen was. Hoe haar familie was uitgemoord en hoe zij gedwongen was geworden om met een Turkse moslim te trouwen.

Deze onthulling confronteerde Fethiye Cetin met een heel andere waarheid dan waarmee ze was opgegroeid. Ze moest vervolgens wel een boek schrijven en dat deed vervolgens in Turkije veel stof opwaaien. Plotseling herkennen veel mensen de ontelbare grootmoeders met “een gestolen identiteit”.

Om welke identiteit gaat het dan? In het geval van de Arameeërs om een heel oud volk dat vernoemd werd naar Aram, de kleinzoon van Abrahams broer Nahor die was achtergebleven in Haran dat in het huidige leefgebied van de Arameeërs langs de grenzen van Turkije, Syrië en Irak wordt gelocaliseerd. Het volk met haar vele koningen speelt een rol in het Oude Testament tot deze staten worden opgeslokt door het Assyrisch rijk en de latere Babylonische, Perzische, Helleense en Romeinse imperia.

In de tijd van het Nieuwe Testament is de Aramese taal de lingua franca in het Midden-Oosten. Jezus sprak Aramees en dankzij het Aramees kon het christendom, dat in de Joods-Aramese context ontstond, zich betrekkelijk snel over het Midden-Oosten verspreiden. Het christendom wordt voor het eerst met die term aangeduid in Antiochië waarnaar het Syrisch-Orthodoxe patriarchaat is vernoemd.

De Syrisch-Orthodoxe patriarch heeft tot 518 in Antiochië gezeteld, maar toen de Syrisch-Orthodoxe kerk als ketters werd beschouwd is de zetel meer landinwaarts verplaatst om in 1239, in de tijd van de Mongoolse invallen, in Deir el-Zafaran bij de stad Mardin in het zuidoosten van het huidige Turkije gevestigd te worden. Ten gevolge van de genocide van 1915 en de Turkse politiek nadien waarin geen plaats voor christelijke minderheden was, is het patriarchaat in 1933 verplaatst naar Homs en sinds 1959 zetelt de Syrisch-Orthodoxe patriarch in Damascus.

Wereldwijd zijn er 4 tot 5 miljoen Syrisch-Orthodoxe christenen, waarvan 2 miljoen in het zuiden van India ten gevolge van vroeg-christelijke missie-activiteiten vanuit de Syrisch-Orthodoxe kerk die haar werkgebied ooit ook tot in China en Centraal-Azië had uitgebreid, tot de opkomst van de islam daar een eind aan maakte. Ten gevolge van de genocide van 1915 waren de meeste Arameeërs vanuit het huidige Turkije naar het huidige Syrië en Irak gevlucht en het restant dat nog in het zuidoosten van Turkije woonde vertrok vanaf de jaren ’60 naar Europa, Noord-Amerika en Australië. Op dit moment woont nog maar een handjevol Aramese christenen in zuidoost Turkije: ooit het kerngebied van het Aramese volk en van de Syrisch-Orthodoxe kerk.

Verreweg de meeste Arameeërs en Syrisch-Orthodoxe christenen leven nu dus in diaspora. Dat heeft twee kanten. Aan de ene kant geniet de diaspora de vrijheid om haar geloof te praktiseren en haar taal te onderwijzen en te spreken. Aan de andere kant dreigt de assimilatie: het verlies van geloof en eigen taal en cultuur door geheel op te gaan in de Westerse, bijvoorbeeld Nederlandse, samenleving. De eigen identiteit wordt dan niet gestolen maar als het ware vrijwillig ingeleverd.

Een paar jaar geleden besloot Stire het verhaal over de genocide, het lot van haar grootouders, in een boek “Echo uit een onverwerkt verleden” vast te leggen voor het nageslacht. Tegen de vergetelheid. Zodra de verhalen vergeten zouden worden, zou de genocide als het ware voltooid worden, want dan had het volk nooit bestaan en was dan echt van de aardbodem verdwenen. Daarnaast wilde ze het opschrijven het zelf te kunnen verwerken. Tijdens het schrijven merkte Stire eens te meer dat ze zelf ook onderdeel van het verhaal was. Als het ware een erfgename van het slachtofferschap van haar grootouders die er niet over konden spreken en juist in het stilzwijgen de gebeurtenissen uitschreeuwden. In de derde en laatste plaats had ze de hoop dat publicatie van het verhaal zou kunnen helpen in het streven naar erkenning van de ook op de Arameeërs gepleegde genocide.

Tijdens het schrijven nam de boosheid over het onrecht af. Daardoor ontstond ruimte voor verdriet over wat er gebeurd was. Maar ook voor het denken over de christelijke opdracht tot vergeving. Jezus zegt je vijanden lief te hebben, maar kan dat door al die gebeurtenissen heen? Die opdracht tot vergeving werd nog ingewikkelder toen de genocidale geschiedenis zich begon te herhalen in het door ISIS beheerste Aramese gebied in het noordoosten van Syrië en het noordwesten van Irak.

In het boek staat: “Vertel ons verhaal door. Opdat ze zich niet mag herhalen.” Bij het schrijven vond Stire deze zin eigenlijk ‘too much’. Een herhaling van 1915 kon ze zich niet voorstellen. Verder zegt de hoofdpersoon Meryam, die net als Fethiye Cetin het verhaal van haar grootmoeder vertelt, ergens in het boek: “alle verhalen van 100 jaar geleden maak ik opnieuw mee”. Dat ging over die erfenis van het slachtofferschap, maar die uitspraak kreeg kort na publicatie plotseling een heel andere lading door het geweld van ISIS tegen de Aramese christenen in Syrië en Irak. Gewelddadigheden waar de Westerse media nauwelijks over berichten en waar de gemiddelde Nederlander nauwelijks weet van heeft terwijl de hier in Nederland levende Aramese christenen de indringende beelden via hun eigen media binnenkrijgen en er nauwelijks een uitweg voor weten.

Dat laatste gold ook voor Stire. Ze kon die herhaling van de gebeurtenissen niet aan en de enige remedie die ze zag was “wegkijken”. Maar dat is nu juist het verwijt aan alle anderen. Zo zei Albert Einstein: “De wereld is gevaarlijk om in te leven, niet door zij die kwaad doen, maar door zij die louter toekijken en laten begaan.”

Wat Stire weer op de been bracht waren de reacties van Turkse Nederlanders die haar boek hadden gelezen en die zich laat uitdrukken als: “Dit kan toch niet waar zijn?!” Ze kreeg acuut last van een schuldgevoel ten aanzien van deze Turken die zij met haar boek schokte en ontwikkelde de romanfiguur van een Turkse Aise als tegenhanger van de Aramese Meryam. Een islamitische Turkse die plotseling ontdekt dat er ooit christenen in haar land woonden en later ook over de genocide hoorde. Die op onderzoek ging (zoals de Bloedbroeders later zouden doen) om de waarheid onder ogen te zien.

Door Aise als romanfiguur te introduceren slaagde Stire erin om ook gevoel voor haar positie te ontwikkelen. Haar wereldbeeld klopt niet meer en met haar kon Stire, via Meryam, wel in dialoog komen. Haar schuldgevoel jegens haar Turkse lezers maakte plaats voor compassie en dat brengt het vraagstuk van de vergeving naar een ander niveau. Je kunt de nakomelingen van de daders niet kwalijk nemen wat hun voorouders hebben gedaan. Maar daarbij is erkenning wel belangrijk. Niet om de huidige Turken de schuld van hun voorouders op zich te laten nemen, maar om er samen als erfgenamen van daders en slachtoffers mee om te kunnen gaan.

Blijven de daders van nu over. Kunnen we die ook vergeven? Misschien kunnen we dat toch als we ons openstellen voor christelijke waarden van liefde en vergeving. Zei Christus niet toen hij de marteldood stierf aan het kruis: “Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.” Stire heeft filmbeelden van christelijke kinderen die vanuit Syrië voor ISIS zijn gevlucht naar Libanon en daar desgevraagd zeggen dat zij de daders wel zouden kunnen vergeven.

In de vragenronde blijkt toch nog veel onduidelijkheid. Hoe passen de “Suryoye” nu weer in dit verhaal? Stire legt uit dat “Suryoye” de Aramese aanduiding voor “Arameeërs” oftewel “Syriërs” is (beide benamingen zijn synoniem; ook in de Bijbel worden “Arameeër” en “Syriër” door elkaar gebruikt) en niet alle Arameeërs zijn Syrisch-Orthodox (er zijn ook andere kerken), maar de meeste Arameeërs die in Twente zijn neergestreken wel.

Een andere vraag betreft de rol van de Koerden bij de genocide van 1915, terwijl ze nu de Aramese christenen toch beschermen tegen het geweld van ISIS? Stire benadrukt dat het in beide gevallen opportunisme is. In 1915 werden de Koerden de Aramese bezittingen in het vooruitzicht gesteld die zouden vrijkomen zodra deze christelijke minderheid uit het zuidoosten van Turkije was verdwenen en het zou de regio tot een Koerdisch gebied maken waar mogelijk een Koerdische staat zou kunnen ontstaan. Dat laatste streven voert ook nu de overhand.

De angst van Stire voor assimilatie wordt niet gedeeld: wees blij dat de gemeenschap zo goed integreert. Het is onafwendbaar. Dat laatste is nu juist Stire’s grote angst. Het Aramees is één van de oudste, gedocumenteerde en onophoudelijk gesproken talen en deze zou na 4000 jaar zomaar alsnog kunnen verdwijnen. Niet ten gevolge van de genocide, maar omdat de diaspora de taal overneemt van de gastlanden. Ze merkt het zelf: hoewel heel erg doordrongen van de noodzaak om met haar kinderen Aramees te spreken, spreekt ze 90% van de tijd met haar kinderen in het Nederlands. Aramees spreken kost gewoon moeite. Veel Arameeërs doen dat thuis ook niet meer en of haar kinderen het zullen blijven doen is maar de vraag. Over één of twee generaties weet niemand meer dat er ooit Arameeërs waren. Dat is één van de redenen om dit boek te schrijven.

Dat laatste roept de vraag op waarom er niet meer van die verhalen is opgeschreven. Volgens Stire moeten we niet vergeten dat verreweg de meeste overlevenden van de genocide analfabeet was. In ieder geval in hun eigen taal, waarin ze niet werden onderwezen. De Arameeërs die wel konden lezen en schrijven, de priesters, lieten het wel uit hun hoofd om de verhalen te boekstaven omdat de nauwlettend door de Turkse overheid in de gaten werden gehouden. Het volk was vooral druk te overleven, te vluchten en elders een nieuw bestaan op te bouwen. Je ziet eigenlijk dat er nu pas, 100 jaar later, een bewustwording bij het volk aan het ontstaan is. De bewustwording dat het aan een collectief trauma lijdt.

Waarom zit je met dit boek niet bij “Pauw” of “De Wereld Draait Door”? Stire herhaalt dat ze kort na het uitkomen van het boek door de vanaf toen plaatsvindende ontwikkelingen in Syrië en Irak daar een tijd geen zin in had. In plaats van door het boek geheeld te zijn, werden ze door die gebeurtenissen juist weer opengereten. Je moet ook onder ogen zien wat je zelf kunt en wat je jezelf kunt aandoen. Het vergeven was bij het schrijven al lastig; maar toen kwam het geweld van het nu daar nog overheen.

Gevraagd naar haar opvattingen over de islam, stelt Stire dat haar grootvader de genocide heeft overleefd dankzij de islamitische buren en dat zij hier dus kan staan dankzij die islamitische buren. Er zijn, met andere woorden, heel veel moslims die vanuit hun geloof het goede doen. Dat neemt niet weg dat op dit moment in het Midden-Oosten een stroming binnen de islam aan het groeien is die erg gevaarlijk is en het islamitisch geloof als zodanig dreigt te claimen. De islam heeft het erg lastig om daar een antwoord op te vinden en Stire heeft zelfs met gewone moslim-gelovigen te doen hoe hun geloof wordt gekaapt. Volgens haar is men zich dat in het Westen te weinig bewust en worden te snel vergelijkingen met de Kruistochten en de Godsdienstoorlogen in de 16de en 17de eeuw getrokken. Alsof daarmee het huidige geweld dat in naam van de islam wordt gepleegd gerechtvaardigd kan worden.

Zou Turkije niet een mooie brug kunnen vormen tussen het christelijke Westen en het islamitische Midden-Oosten? Ja, dat zou mooi zijn, maar de huidige Turkse regering lijkt er niet op uit te zijn die brug daadwerkelijk te willen slaan.

Tot slot wordt de discussie gevoerd of de weigering van de Turkse regering om de genocide van 1915 te erkennen teruggaat op een mentaliteit die je ook bij andere machthebbers in het Midden-Oosten aantreft: het onvermogen om fouten toe te geven en kritiek te pareren door onderdrukking en uitschakeling van tegenstanders. Kijk naar de vele machthebbers die decennia achtereen op dezelfde positie blijven zitten en vooral hebben geïnvesteerd in de samenleving controlerende veiligheidsdiensten.

Stires slotwoord is dat zij tot de conclusie is gekomen dat je niet nog eens 100 jaar op erkenning door de Turkse regering kunt blijven wachten en dat ze daarom het boek heeft geschreven waarmee ze zich wil richten op gewone Turkse mensen die ook wel in staat zijn om zelf na te denken, ook als de Turkse regering ze op dit vlak probeert dom te houden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen