zaterdag 8 maart 2014

Tussenstop in Tel Aviv

Om 8.30 uur verlieten we Bethlehem in de stromende regen. Voor onze gastgezinnen en anderen was deze regen meer dan welkom. Het had de hele winter niet geregend op een sneeuwbui na die Bethlehem een Witte Kerst bezorgde, maar nu viel het in bakken uit de lucht onder begeleiding van een paar slagen onweer. Zonder noemenswaardig oponthoud bij de checkpoint reden we Israël binnen waar de Sabbath heerste. Onze nieuwe gids, Maaike Hoffer, vertelde dat, hoewel slechts een deel van de joodse bevolking van Israël religieus was, alles in Israël, winkels, horeco en openbare gelegenheden, op de Sabbath potdicht zat. Ook het openbaar vervoer reed niet en de snelwegen leken uitgestorven. Het deed denken aan de autoloze zondagen die wij in Nederland veertig jaar geleden hadden naar aanleiding van de Jom Kipoeroorlog.
 

Ook in het wereldse Tel Aviv werd de Sabbathrust in acht genomen. Voor onze ontmoeting met seculiere joodse organisaties uit Tel Aviv moesten we dan ook uitwijken naar het aan Tel Aviv vastgegroeide en voornamelijk door Palestijnse christenen en moslims bewoonde Jaffa waar wel een paar horecazaken open waren.

 

Wij streken neer in “Jafa books and coffee”. Een Arabische boekhandel en horecazaak waar men (deels ook in het Hebreeuws of Engels vertaalde) Arabische literatuur en kritische joods-Israëlische boeken verkocht. Een soort kritische boekhandel dus. Buiten Jeruzalem en Haifa was dit de enige boekhandel waar je dit soort boeken kon kopen in Israël.
 

Ook werd in deze boekhandel Arabische les gegeven aan joodse inwoners van Israël. Het onderwijs voor de joodse meerderheid en de Palestijnse minderheid in Israël is gescheiden. Joodse kinderen leren Hebreeuws/Ivriet en Engels, maar geen Arabisch, terwijl Arabische kinderen naast Engels en Arabisch ook Hebreeuws/Ivriet krijgen. Zij kunnen zich dus wel verstaanbaar maken aan de joodse bevolking van Israël maar de overgrote meerderheid van de joods-Israëlische bevolking verstaat geen Arabisch. Sommige joden in Israël betreuren dit en gaan dus op Arabisch les, zoals de jonge vrouw in het gestreepte T-shirt op de bovenstaande foto die de eigenaar van de boekhandel/horecazaak hielp met het inschenken van de koffie en het bereiden van onze lunch.
 

De eigenaar heette ons vanzelfsprekend welkom in zijn zaak en desgevraagd vertelde hij dat het sinds de Oslo-akkoorden mogelijk was om in Israël de Palestijnse vlag te tonen, maar dat hij het alleen binnenshuis deed. Niet aan de buitengevel van zijn pand.
 

Op die buitengevel bevond zich echter wel een levensgrote cartoon van de eveneens op de gevel afgebeelde Palestijnse cartoonist Naji al-Ali, die in 1987 onder zeer verdachte omstandigheden is gestorven. Sommigen menen dat de Israëlische geheime dienst erachter zit, maar anderen wijzen erop dat hij ook de Arabische regeringen op de hak nam. Op de cartoon, die je van rechts naar links moet lezen, vraagt het Israëlische mannetje rechts aan de Palestijn in het midden: “Ben je christen of moslim? Katholiek of orthodox? Soenniet of sji’iet? Druus of alawiet?” waarop de Palestijn in het midden antwoordt: “Arabier, idioot.” Deze door Naji al-Ali vóór 1987 gemaakte cartoon sluit dus heel goed aan bij de juist nu heel actuele discussie over de verdeel-en-heers-politiek van de Israëlische regering door de Palestijnse bevolking langs religieuze en sektarische lijnen op te delen. De overgrote meerderheid van de Palestijnen voelt hier helemaal niets voor en doorziet dit verdeel-en-heers-spel.
 

Vervolgens gaan we naar het boven de boekhandel gelegen zaaltje waar we de Israëlische activiste Daffy Liv ontmoeten. Zij beschrijft het dagelijks leven van de Israëlische bevolking die in toenemende mate om geld verdienen en carrière maken is gaan draaien. We leven hier de mythe van de Amerikaanse droom volgens welke je alles kunt bereiken als je er maar voor wil werken, aldus Daffy, die erop wijst dat de veelgebruikte benaming “State of Israel” (de Staat Israël) ook al de suggestie in zich draagt als Israël de zoveelste staat van de Verenigde Staten is (zoals de Staat New York o.i.d.). Maar, zo constateerde zij zelf, die Amerikaanse droom is een illusie.

Ze is afgestudeerd aan de filmacademie met de droom om ooit een dag mooie films te kunnen maken. Geheel volgens de mythe van de Amerikaanse droom accepteerde ze dat ze eerst onderaan de ladder moest beginnen en werkte bij een Droomhuis-programma op de Israëlische televisie waarbij het huis van een daartoe aangemeld gezin volledig werd heringericht. Wat de toeschouwer niet te zien kregen was dat na de opnamen alle meubels weer teruggingen naar de meubelzaken die deze enkel voor de uitzending beschikbaar hadden gesteld, waarna het gezin het gewoon weer met de eigen meubels moest doen. Het was dus allemaal heel erg fake, maar Daffy had er een baan aan.

Tot ze begin 2011 haar eigen huur kreeg opgezegd en op zoek moest naar andere woonruimte. Toen merkte ze plotseling hoe de woonlasten in een paar jaar tijd enorm waren gestegen. Ze kon in de paar weken die ze gekregen had niet iets vinden dat ook maar enigszins betaalbaar was terwijl ze voltijds werkte bij dat Droomhuis-programma op de Israëlische televisie. Een groter contrast tussen droom en werkelijkheid was bijna niet voor te stellen.

Geheel gedesillusioneerd stelde ze op een goed moment een goede kennis voor om dan maar ergens in Tel Aviv een tent op te zetten en daarin te gaan wonen. Ze werkten toch de klok rond, waren bijna nooit thuis en slapen kon je immers wel in een tent. Haar kennis, die in dezelfde situatie zat, zag er een beetje tegenop om dat met hun tweeën te doen en stelde voor om het plan een week uit te stellen en een aankondiging op Facebook te kijken of er meer mensen mee wilden doen.

Voor Daffy was het de eerste keer dat ze een evenement op Facebook plaatste, en de reacties waren overweldigend. Binnen een week waren er 3500 vrienden die aankondigden om ook met een tentje naar het plein te komen, 4000 mensen die overwogen om dat te doen en 50.000 mensen die nog op een reactie wachtten. Uiteindelijk kwamen er op de afgesproken dag 1500 mensen naar het plein in Tel Aviv en werden 7 tenten opgezet waar mensen bleven slapen. Enkele dagen later waren er meer dan 90 van dit soort tentenkampen in heel Israël en het zou uitgroeien tot het grootste sociale protest in de geschiedenis van Israël. Het vond ook plaats ten tijde van de Arabische Lente in de omringende landen (maar daar had de kolonist die we één dag eerder spraken kennelijk geen weet van) en bij straatprotesten van jongeren in Spanje en Griekenland.

Uit opiniepeilingen bleek dat 87% van de Israëlische bevolking begrip had voor deze acties en het eens was met de stelling dat men in Israël te hard moest werken om een dak boven je hoofd te hebben. De gemiddelde Israëli geeft 70% van het inkomen uit aan huur en andere woonlasten.

Na een week werd besloten om een demonstratie te organiseren. Overigens tegen de wil van Daffy, die het samen protesteren in een tentenkamp een goed voorbeeld vond van gelijkwaardigheid terwijl je bij een demonstratie een paar mensen boven die rest uittrekt die op het podium mogen spreken. Daar werd ze er zelf uiteindelijk één van. Op de eerste demonstratie kwamen 30.000 mensen af. Op de tweede, die een week later werd gehouden, waren dat er 150.000 en nog een week later 300.000. Vervolgens werd besloten om een demonstratiedag in het hele land te organiseren waar in totaal 1 miljoen van de 8 miljoen Israëli’s aan deelnamen. In Tel Aviv waren dat er een 0,5 miljoen.

Gevraagd naar de overeenkomst met de wereldwijde Occupy-beweging, antwoordde Daffy dat dit alles vóór Occupy plaatsvond, namelijk in de zomer van 2011 terwijl “Occupy Wallstreet” begin september 2011 startte. Ook liet ze weten dat toen ze in het najaar van 2011 in New York was om over beide initiatieven te spreken, ze ook had verteld de naam “Occupy” een vreemde naam te vinden voor een protestbeweging en gemerkt had dat de initiatiefnemers in New York ook wel een beetje met die naam in hun maag zaten.

Gevraagd naar de rol die de Israëlisch bezetting (occupation) van Palestina bij deze sociale protestbeweging speelt, vertelde Daffy dat de bezetting alomtegenwoordig is in de Israëlische samenleving en dat de torenhoge militaire uitgaven van Israël een deel van het sociaal-economische probleem zijn. Daarbij tekent Daffy nog wel even aan dat niet het Israëlische maar het Amerikaanse leger het meest agressieve leger in de wereld is. Tegelijkertijd is de beweging rond die bezetting dood en zijn de begrippen die daarbij werden gebruik leeg. Links Israël heeft het over “vrede”, rechts Israël over “veiligheid” zonder over de ware betekenis van die begrippen te willen spreken.


Als van onze kant wordt gesteld dat we eerder deze week Rabbis for Human Rights hebben ontmoet die een relatie leggen tussen hun activiteiten met betrekking tot de bezetting en de sociaal-economische problematiek in Israël stelt ze deze organisatie niet te kennen en in z’n algemeenheid te constateren dat heel veel gevestigde organisaties zich sinds de zomer van 2011 zijn gaan bezighouden met de sociaal-economische situatie in Israël toen ze de omvang van de straatprotesten zagen. Dat is ook het grootste succes van de protestbeweging: de bewustwording en het op de politieke agenda zetten. Bij de laatste verkiezingen voor de Knesset zijn ook 50 nieuwe parlementariërs gekozen enigszins hebben meegelift op de thema’s die door de protestbeweging op de agenda zijn gezet. Overigens zijn slechts twee van hen echt gerelateerd aan de protestbeweging die overigens zorgvuldig heeft vermeden om zelf tot een politiek programma en tot een lijst te nemen maatregelen te komen. “Wij zetten de problemen op de kaart. Hoe deze op te lossen is aan de politici,” aldus Daffy.

We concluderen met Daffy dat de belangrijkste vraag die de protestbeweging van 2011 heeft opgeleverd de vraag is wat voor een soort samenleving de Israëlische samenleving wil zijn. Geen Amerikaanse droom meer, maar wat dan wel? Deze vraag is inmiddels doorgedrongen tot in de haarvaten van de samenleving. Scholieren bestuderen het fenomeen van de protestbeweging op school en schrijven er werkstukken over. Er zijn in het hele land zo’n 600 nieuwe actiegroepen ontstaan en de corruptie binnen het establishment, waar ook de officiële vakbonden toe bleken te behoren, wordt niet meer als vanzelfsprekend en normaal beschouwd.

Ik zie zelf grote overeenkomsten met de protestbewegingen van het Taksimplein en die in Zuidoost-Europa waar we het afgelopen jaar een aantal inleidingen over hebben gehoord.
 

We krijgen een heerlijke lunch beneden tussen de boeken om vervolgens weer naar het zaaltje boven te gaan waar we de Nederlandse pedagogie-studente Gaya en de Amerikaans-Israëlische Elliot Glassenberg van de “seculiere yeshiva” (talmoedschool) ontmoeten. Gaya draait een half jaar mee in het programma van de seculiere yeshiva dat naast studie ook vooral uit “community-projecten” bestaat. Die laatste vanuit het beginsel “tikoen olan” (“verbeter de wereld”), de verplichting van (liberale) joden om de wereld tot een betere plaats om te vormen. Jaffa wordt voor 33% door Palestijnen bewoond en het aangrenzende zuiden van Tel Aviv telt grote aantallen asielzoekers uit Afrika en gastarbeiders uit Azië. Met name de twee laatstgenoemde groepen leven aan de zelfkant van de samenleving en worden door de seculiere yeshiva geholpen.
 

Vervolgens gaat Elliot in op het wat merkwaardige woordpaar “seculier” en “yeshiva”. Daartoe krijgen we een spoedcursus stromingen binnen het jodendom. In Amerika, Elliot geboren en getogen is, bestaan drie belangrijke stromingen: orthodox, waar de voorschriften zo precies mogelijk worden nageleefd; hervormd, waar eenieder zelf bepaald aan welke voorschriften hij of zij zich wel of niet wil houden en in welke mate; en daartussen een conservatieve stroming die de voorschriften nog wel serieus wil nemen maar ze ook wil aanpassen aan de moderne tijd. Volgens Gaya is het liberaal jodendom zoals we dat in Nederland kennen eerder nog als conservatief dan als hervormd te beschouwen.
Het gaat in deze stromingen binnen het jodendom om de tradities en rituelen, niet om wat men exact gelooft, aldus Elliot. In de geloofsvragen laat men elkaar tamelijk vrij, maar het komt aan op de mate waarin men zich aan de tradities en voorschriften wenst te houden. Zo kunnen er heel orthodoxe joden zijn die niet in God geloven, maar wel alle ingestelde geboden heel strikt onderhouden.

In Amerika lopen de stromingen tussen orthodoxe, hervormde en conservatieve joden redelijk door elkaar. Elliot noemt zichzelf hervormd, zijn ouders zijn conservatief en in Amerika heeft hij orthodoxe vrienden. In Israël is dat heel anders en ben je òf orthodox òf seculier. Dat zegt dus niets over je geloof maar wel over het al dan niet onderhouden van de voorschriften. De verdeling orthodox – seculier is ongeveer half om half in Israël en ook dit uit zich weer in het schoolsysteem. Eerder hadden we al geleerd dat er in Israël joodse en Arabische scholen zijn; nu leren we dat de joodse scholen weer zijn onderverdeeld in orthodoxe en seculiere scholen. Dit schoolsysteem is ook medeverantwoordelijk voor de scherpe scheiding tussen beide groepen in Israël.

In 1995 werd Rabin doodgeschoten. Het land was in shock. Niet alleen omdat een vrij populair politicus was vermoord, maar ook omdat de aanslag niet was gepleegd door een Arabier, zoals iedereen verwacht had, maar door een orthodoxe jood. Daarom ook had de beveiliging van Rabin gefaald; men was alert op iemand met een Arabisch voorkomen, niet op een orthodoxe jood die een aanslag zou willen beramen.

De aanslag en het feit dat deze gepleegd was door een orthodoxe jood zette de verhouding tussen seculiere en orthodoxe joden op scherp. Kennelijk waren alleen seculiere joden voor de vrede en orthodoxe joden ertegen. Maar wat betekent dan het feit dat seculiere en orthodoxe joden in een joodse staat wonen? Veel joodse migranten naar Israël zijn heel bewust naar de joodse staat Israël geëmigreerd, maar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen hechten veel minder aan hun joodse identiteit en daarmee vervaagt ook de joodse identiteit van de staat Israël. Wat betekent het jodendom voor seculiere joden?

Tegen deze achtergrond is de seculiere jeshiva opgericht. Om onderwijs te geven in de waarden van het jodendom en een alternatief te vormen voor het afscheid nemen van het jodendom waar veel seculier joden toe geneigd waren na de aanslag op Rabin. In 1996 werd begonnen als een studiegroep met 20 deelnemers en inmiddels wordt onderwijs gegeven aan 300 jongeren en 500 volwassenen. Men huldigt ook de kibboets-filosofie van solidariteit, vrede en recht doen.

We leggen Elliot de vraag voor dat in de huidige vredesbesprekingen door Israël wordt geëist dat de Palestijnen de staat Israël als joodse staat erkennen maar dat uit zijn verhaal blijkt dat veel joodse inwoners van Israël ook moeite hebben om het joodse karakter te onderschrijven.

Elliot antwoordt dat Israël, net als veel Arabische buurlanden, nog steeds het Ottomaanse millet-systeem hanteert. In het multireligieuze Ottomaanse Rijk kreeg elke religieuze groep een grote vorm van autonomie om z’n eigen zaakjes volgens de eigen religieuze traditie te regelen. De moslimbevolking viel onder het soennitische Ottomaanse staatsgezag, maar met name de christenen en druzen konden hun eigen zaken regelen onder het uiteindelijke gezag van de belangrijkste religieuze of kerkelijk leider. De Britten hebben dit systeem in het mandaatgebied laten voortbestaan en ook de staat Israël kwam dit eigenlijk wel goed uit om zich niet te hoeven mengen in de interne aangelegenheden van haar Palestijnse (christelijke en islamitische) burgers. De interne zaken van de joodse bevolking werd overgelaten aan het rabbinaat dat in de praktijk echter orthodox is en weinig rekening houdt met de levensbewijze van seculiere joden. In Israël bestaat geen burgerlijk huwelijk en kun je alleen trouwen binnen je millet of eigen groep. Gemengde huwelijken komen dan ook vrijwel niet voor omdat je dan eerst naar het buitenland moet (Cyprus is zeer gewild) om je te laten trouwen waarna je huwelijk door de Israëlische staat wel erkend wordt. Seculiere joden moeten om te kunnen trouwen een in hun ogen orthodox toneelstukje opvoeren terwijl trouwen voor joodse homo’s al helemaal niet aan de orde kan zijn, hoewel de meeste seculiere joden daar helemaal geen probleem mee zouden hebben.

Hij leest met ons een brief van Ben Goerion voor die deze een jaar voorafgaand aan de stichting van de staat Israël schreef aan een joods-religieuze wereldorganisatie die wilde weten in hoeverre joodse tradities leidinggevend zouden zijn in de nieuwe staat Israël. Ben Goerion laat in deze zgn. Status Quo brief weten dat de religieuze positie van de Arabische minderheden gewaarborgd zullen worden omdat de Verenigde Naties anders nooit akkoord zouden gaan met de stichting van een onafhankelijke joodse staat. Tegelijkertijd geeft hij echter garanties dat in Israël de Sabbath geëerbiedigd zal worden en dat in alle staatskeukens (overheidsgebouwen, het leger, scholen) uitsluitend kosjere maaltijden geserveerd zullen worden. Deze toezeggingen van Ben Goerion uit 1947 zijn nog steeds richtinggevend voor de positie van de joodse religie in Israël.

Hamvraag is volgens Elliot of het joodse karakter van de staat Israël nu de joodse religie, de joodse cultuur of de joodse waarden zou moeten betreffen. En ook in deze tweede inleiding op deze eerste dag in Israël zien we dus een worsteling van Israëlische joden met het joodse karakter van hun eigen staat, nog helemaal los van de vraag naar een Een- of Twee-Staten-oplosing en de verhouding tot de Palestijnen.

In de bus richting Nes Ammim vertelt Maaike nog dat de vluchtelingenstatus van de Afrikaanse asielzoekers is afgewezen. In strijd met het vluchtelingenverdrag laat Israël alleen joodse migranten toe. Zo is in de jaren ’90, na de val van de muur, een groep van 1 miljoen Russsiche joden binnengelaten en ook een groep Ethiopische joden. Beide groepen worden in Israël zwaar gediscrimineerd.

Naast het onderscheid tussen orthodoxe en seculiere joden, is er ook een onderscheid tussen askenazische joden die vooral uit Amerika, Europa en ook uit Rusland afkomstig zijn en miskazische joden die uit de Arabische landen komen en waarvan een deel ook al in Palestina woonde voordat de migratie vanuit het Westen op gang kwam. De verdeling tussen deze twee groepen is ook ongeveer half-om-half, maar de askenazische joden zijn de dominante groep geworden en hebben de miskazische joden min of meer gedwongen om hun Arabische cultuur af te leggen. In ieder geval wordt daar erg op neer gekeken. Beide groepen houden van totaal verschillende muziekstijlen en op de Israëlische radio hoor je vooral de askenazische muziek terwijl miskazische joden veelal de muziek die zij mooi vinden via Arabische zenders beluisteren.

Verder vertelt ze dat de bevolking in de zuidelijke helft van Israël voornamelijk joods is, terwijl in het noordelijk gelegen Galilea, waar ook Nes Ammim is gevestigd, de verhouding joden-Palestijnen half-om-half is.

Het gemiddeld maandinkomen van een Israëli bedraagt ongeveer 1400 euro terwijl het prijsniveau 1,5 tot 2 keer zo hoog is als in Europa.

De staat Israël financiert zowel de joodse als de Arabische staatscholen, maar de financiering van de Arabisch scholen is duidelijk minder dan de joodse scholen. Veel Palestijnen in Israël sturen hun kinderen dan ook naar Arabische privé-scholen die vooral via de kerkelijke missiescholen ruimschoots in het land aanwezig zijn. Hierdoor krijgen vooral de christelijke Palestijnen beter onderwijs en ziet juist deze groep kans om weg te trekken, hetgeen ertoe leidt dat de christelijke Palestijnen steeds meer een minderheid gaan vormen.


Bij Haifa rijden we langs een gigantisch olieraffinaderij. Deze is destijds nog door de Britten gebouwd toen zij de olie uit hun mandaatgebied Irak (bij Basra en rond Kirkuk) via pijpleiding door hun mandaatgebieden Jordanië en Palestina in Haifa aan de kust brachten om daarvandaan per schip verder naar het moederland getransporteerd te worden. Sinds de stichting van de staat Israël is deze pijpleiding buiten gebruik gesteld en wordt in Haifa de van elders afkomstige olie geraffineerd voor eigen gebruik.


In Nes Ammim komen we later aan dan verwacht en moeten we ons maar inchecken in het hotel na dat we eerst het avondeten hebben genuttigd en de kerkdienst die daar op zaterdagavond wordt gehouden hebben bijgewoond. In de overweging wordt de voormalige Knesset-voorzitter Burke geciteerd die zei te hopen dat de tempel nooit herbouwd zou worden en ook het verbod van de rabijnen om de tempelberg te betreden gehandhaafd zal blijven omdat dit een teken voor het joodse volk is dat God niet bezeten kan worden.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen