dinsdag 11 maart 2014

Verwerking van het verleden

Even na 8.30 uur vertrokken we vanochtend naar Lohame HaGeta'ot. Een kibboets tussen Nes Ammim en Akko dat na de Tweede Wereldoorlog is gesticht door overlevenden van de Getto-opstand in Warschau. Het meest bekende voorbeeld van massaal louter joods verzet tegen de Holocaust. In deze kibboets werd de basis gelegd voor het bedrijf Tival dat vegetarische vleesvervangers produceert voor onder andere Albert Heijn. Het product en het bedrijf is, toen het eenmaal liep, door de kibboets verkocht aan een Israëlisch bedrijf waardoor alle kibboets-bewoners op slag miljonair (in shekels) werden.
 

Een ander initiatief van deze kibboets was de oprichting van een Getto-strijdersmuseum. Dat gebeurde al in 1958 en zeer tegen de wil van de Israëlische regering die toen geen herinneringscentra aan de Holocaust in Israël wilde hebben. Yad Vashem is pas veel later gesticht. Ook nu heeft het museum een gespannen relatie met de Israëlische regering en krijgt het ook nauwelijks subsidie van de Israëlische overheid, omdat het museum weigert mee te gaan in wat inmiddels een officiële staatsideologie lijkt te zijn geworden die uitdraagt dat de Holocaust tot in onze tijd voortduurt en Israël en de joden nog altijd bedreigd worden.

In het museum werden we rondgeleid door Tanja die haar wortels in Enschede heeft. Haar vader was er woonachtig rond de oorlog en een oom van haar was als fotograaf betrokken bij het onlangs verschenen (foto)boek over de synagoge in Enschede. Als Nederlandstalige heeft ze eerst een aantal jaren bij Nes Ammim gewerkt en heeft ze zich later beziggehouden met de inrichting van de afdeling in het museum die over Nederland handelt. Haar verklaring voor het eigenzinnige karakter van het museum is dat het in Galilea ligt. Het woord Galilea betekent “provincie” en ook in Nederland weten we dat diep in de provincie mensen gewoon hun eigen gang gaan en zich minder gelegen laten liggen aan de wensen van de hoofdstad.
 

We beginnen de rondleiding in het onlangs bijgebouwde kindergedeelte. Veel joodse kinderen werden in de oorlog door kloosters of grote boerengezinnen opgevangen. Daar zaten ze na afloop van de oorlog te wachten op hun ouders die er echter niet meer waren om hen op te komen halen. Het waren een zionistische jeugdbewegingen die zich over al deze kinderen ontfermden en soms met veel overredingskracht uit de boerengezinnen moesten halen die deze joodse kinderen wel een christelijke opvoeding wilden geven. “Als we dat toelaten, blijven er helemaal geen joden over,” moet deze jeugdbeweging hebben gedacht. Veel door hen opgehaalde kinderen werden naar Israël overgebracht en kregen onderwijs in de geest van de joodse pedagoog Janusz Korczak die in 1942 door de nazi’s werd omgebracht.

Veel van deze kinderen hadden verhalen over hoe zij door vreemden werden opgevangen, maar ook hoe ze zelf soms waren ontkomen aan vervolging. Het zijn deze verhalen over moed en omzien naar elkaar die het kindergedeelte van het Gettostrijdersmuseum centraal wil stellen. Niet enkel de vernietiging van joden in Europa, maar juist ook wat mensen hebben gedaan om levens te redden en wat je zelf kunt doen om anderen te helpen. Aan het eind van een indringende tentoonstelling die, heel confronterend, inderdaad begint met het hierboven geplaatste Nederlandstalige bord “Joden niet gewenscht” is een verwerkingsruimte waar bezoekende schoolklassen hun ervaringen in woord en beeld aan het papier kunnen toevertrouwen.
 

En helemaal aan het eind van de kinderafdeling duikt vrij plotseling de buste van Anne Frank op.
 

Daarna gaan we naar het hoofdgebouw waar een congreszaal, een studieruimte en verschillende tentoonstellingsruimtes zijn ondergebracht.
 

Wij beperken ons echter tot de afdeling die over Nederland gaat en die voor een belangrijk deel door onze rondleidster Tanja is ingericht. Deze afdeling is in 1995 geopend en is toch van belang omdat uit Nederland de meeste joden in West-Europa zijn weggevoerd. In België in Frankrijk gaat het om 40% van de joodse populatie; in Denemarken hebben vrijwel alle joden de oorlog overleefd, maar in Nederland is 75% van de joodse bevolking omgekomen. Er zijn verschillende verklaringen voor gegeven, maar de vraag moet toch blijven: waarom?
 

Tanja benadrukt nog eens dat het hele museum niet primair stil wil blijven staan in het verleden, maar zich juist wil richten op de toekomst. En dat is in haar ogen dat je als joodse bevolking in Israël niet steeds de slachtofferrol moet koesteren, maar ook moet bedenken hoe je om wil gaan met een Palestijnse bevolking die volgens haar cijfers 60% van de bevolking tussen Jordaan en Middellandse Zee omvat.

Leerlingen die met hun klas naar het museum komen wordt gevraagd of ze – geheel vrijwillig en buiten schooltijd – deel willen nemen aan een project van het museum. In het kader van dat project worden leerlingen van joodse en Arabische scholen in Israël in één groep samengebracht. In het eerste jaar kijken deze joodse en Arabische kinderen samen naar wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Europa is gebeurd. In het tweede jaar kijken ze samen naar de gebeurtenissen in Israël in 1948: de Nakba. Dit project loopt nu 18 jaar en de resultaten zijn zeer bemoedigend. Tanja vertelt dat tijdens het uitbreken van de Tweede Intifadah in 2000 Arabische en joodse kinderen spontaan de telefoon pakten en elkaar gingen bellen. Arabische kinderen die aan dit project deelnemen besloten vervolgens om dag en nacht een historische joodse begraafplaats in een Arabisch dorp te beschermen. Helaas blijkt het de laatste jaren steeds lastiger om joodse deelnemers te enthousiasmeren voor deze projecten.

Er zijn inmiddels ook Palestijnse rondleiders in het museum werkzaam en Palestijnse schoolklassen komen dus ook. Op de vraag of er in het museum ook geen afdeling zou moeten komen die aan de nakba is gewijd antwoordt Tanja dat als een dergelijk initiatief genomen zou worden zij de eerste is die haar portemonnee zou trekken. Alle afdelingen zijn tot stand gekomen door inzamelingsacties; de staat financiert niet mee en al helemaal niet voor de Nakba waar door de overheid gefinancierde instellingen überhaupt niet over mogen praten. Op joodse noch Arabische scholen in Israël wordt de Nakba onderwezen en zelfs op Arabische scholen durven docenten er niet over te beginnen omdat ze er hun baan door kunnen verliezen. Arabische kinderen leren op school dus niet waarom ze zelf in Israël wonen en hun ene oom in Ramallah en de andere in Libanon. En dat in een land dat zelf overal te hoop loopt waar de Holocaust wordt ontkend…

Er gaan jaarlijks 25.000 joodse kinderen naar Polen om de vernietigingskampen te bezoek en sommigen bezoeken ook het gettomuseum in Warschau. De helft van al die kinderen komt ter voorbereiding naar het gettostrijdersmuseum in Galilea langs.


We krijgen tot slot nog even de gelegenheid om de tentoonstelling over Nederland te bekijken. Veel denk je wel te weten, maar zelf had ik nog nooit gehoord over het feit dat eind maart 1933 overal in Europese hoofdsteden gedemonstreerd werd tegen het voornemen van de net aantreden nazi-regering om per 1 april 1933 een boycot van joodse producten in te stellen. In Nederland (Amsterdam) namen 12.000 mensen aan deze demonstratie deel. De joodse gemeenschap die op dat moment in het mandaatgebied Palestina woonde besloot als tegenmaatregel om alle Duitse goederen te boycotten.
 

Na deze indrukwekkende tentoonstellingen vervolgden we onze weg naar Akko: een oude havenstad waar we eerst gingen eten …
 

… en waar, nu het nog kon, de officiële groepsfoto werd genomen.


foto gemaakt door Maaike Hoffer

Daarna kregen we een rondleiding door de stad die volgens onze gids 7000 jaar oud was en wat dat betreft in het rijtje van Jericho, Damascus en Meggido thuis hoort. Akko was de hoofdstad van een langgerekte kustprovincie (van Gaza tot voorbij Beiroet) binnen het Ottomaanse Rijk, wist Napoleon te weerstaan toen deze vanuit het door hem veroverde Egypte naar Syrië wilde oprukken en was de hoofdstad van de belangrijkste kruisvaardersstaat nadat deze Jeruzalem waren kwijtgeraakt. Halverwege de 18de eeuw wist een lokale vorst een enorme bouwwoede in Akko tot stand te brengen door moslims en christenen uit te nodigen zich in deze belangrijke havenstad te vestigen.
 

Zijn rol als belangrijkste havenstad aan de oostelijke Middellandse Zeekust is Akko inmiddels kwijtgeraakt, onder andere aan het nabijgelegen Haifa. Vanwege de vele sporen van de kruisvaarders blijft het echter een toeristisch oord en op de plek waar ooit de kruisvaarderskerk gewijd aan Johannes (de Johannieterorde) stond, staat nu een moskee die na de Al Aksamoskee op de Tempelberg de belangrijkste en meest heilige moskee in Israël is. In tegenstelling tot de Al Aksamoskee mochten we deze wel bezoeken (zei het tegen betaling) en dat hebben we dus gedaan…


… waarbij de vrouwen in ons gezelschap wel even een hoofddoek om moesten doen.
 

In de bus terug naar Nes Ammim vertelde Maaike nog even over het onderscheid dat de Israëlische regering wil maken tussen Palestijnse christenen en Palestijnse moslims. Het is duidelijk een poging om deze twee groepen uit elkaar te spelen nu religie een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de omringende Arabische wereld. Israël probeert de Palestijnse christenen ervan te overtuigen dat de islamitisch-Arabische wereld een bedreiging vormt voor joden en christenen in het Midden-Oosten en beoogt de Palestijnse christenen een aan zich te binden en net als de druzen tot het leger te laten toetreden. Daar zou dan ook de toegang tot betere banen tegenover staan. Ook probeert Israël hiermee de voorzichtig opkomende kritiek te voorkomen vanuit christelijke en kerkelijke organisaties in het Westen over de behandeling van Palestijnse christenen. Verreweg de meeste Palestijnse christenen in Israël doorzien deze verdeel-en-heers politiek en verzetten zich heftig tegen de aparte status, maar Maaike vreest dat steeds meer individuele Palestijnse christenen uiteindelijk het persoonlijk belang bij een aparte status zullen laten prevaleren en dat over een jaar of 20 een scheiding tussen Palestijnse christenen en Palestijnse moslims tot stand is gekomen met alle gevolgen van dien voor het met elkaar samenleven in Palestijnse steden en dorpen zoals bijvoorbeeld Nazareth. Waar Palestijnse christenen en moslims nu nog een gemeenschappelijke identiteit hebben, zullen dan de tegenstellingen domineren.
 

Zodra we zijn aangekomen in Nes Ammim houden we een evaluatiebijeenkomst van dit tweede deel van onze reis in de synagoge van Nes Ammim. Gevraagd naar de volgorde wordt opgemerkt dat het goed is dat we in Palestina zijn begonnen en ook dat we met Gettostrijdersmuseum zijn geëindigd. Een omgekeerd volgorde had betekent dat we bij de confrontatie met de Holocaust veel sterker een gevoel zouden hebben gehad “ja, maar de bezetting dan?” terwijl we nu ook joodse en Palestijnse organisaties hebben ontmoet die ons hebben verteld over de bezetting en over de wijze waarop joden en Palestijnen met elkaar omgaan in Israël. Met betrekking tot het laatste viel het één van de deelnemers wel op dat met name spreekster van de gisteren bezocht Mossava-beweging de wat intern tegenstrijdige boodschap uitdroeg “het is niet onze staat, maar we willen wel gelijke rechten”. Ook was het verrassend en voor ons volslagen nieuw om te zien hoe Israël worstelt met haar joodse identiteit en om te zien hoe joodse organisaties activiteiten organiseren om bruggen te slaan. In die zin houden zij ons ook een spiegel voor hoe we in Nederland omgaan met ongeveer gelijksoortige problemen. Met betrekking tot het eerste punt werd toch ook wel geconstateerd dat het hier in Israël lijkt alsof het door ons bezochte Palestina op een andere planeet ligt. Waar in Palestina de muur en de bezetting overal merkbaar zijn, merk je er in Israël helemaal niets van. Met alle positieve ontwikkelingen waarover we de afgelopen dagen hebben gehoord blijft het echter toch ook treurig dat het bij een worstelen blijft. Al die bewegingen die we hebben gesproken zijn er niet in geslaagd om een aantrekkelijke en andere visie op de toekomst te formuleren en hebben ook geen inspirerende leiders als Martin Luther King, Nelson Mandela en Abraham Heschel van wie we de afgelopen dagen de namen hebben gehoord.
 

Hoewel ons eigenlijke programma er inmiddels op zat en de meesten van ons inmiddels ook wel een beetje moe waren van alle informatie die we de afgelopen dagen over ons uitgestort hebben gekregen, leidde het zien van de aankondiging van een bijeenkomst voor Nes Ammim-vrijwilligers over “1939-1949 vanuit een Palestijns perspectief” tot het spontane verzoek om daarbij aanwezig te mogen zijn. Dat mocht en meer dan de helft van de groep zat op onze vrije dinsdagavond naar het zoveelste verhaal te luisteren. Dit keer van Menem, een Palestijn uit Haifa.

Hij benadrukte dat de meeste Palestijnen het leed van de joden tijdens de Holocaust erkennen en wijst erop dat veel Palestijnen tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog ook hebben bijgedragen aan de opvang van joden die de Holocaust en het na-oorlogse Europa ontvluchtten. In 1948 werden ze van hun land en hun burgerrechten beroofd. In 1966 kregen de Palestijnen die binnen Israël hadden kunnen blijven het Israëlisch burgerschap waaronder het kiesrecht. Ze blijven echter tweederangsburger, onder andere vanwege de veel lagere financiering van Arabische instellingen zoals scholen en gemeentes.

In de Ottomaanse tijd hadden Palestijnse christenen het beter dan Palestijnse moslims, volgens Menem, omdat christenen in het millet-systeem hun eigen gang konden gaan èn omdat ze gesteund werden door Europese kerken en Europese staten. De Palestijnse kerken en christenen hebben vervolgens een belangrijke rol gespeeld in de vorming en instandhouding van de Palestijnse identiteit.

In de mandaattijd waren er al Palestijnse politieke partijen. Sommigen hadden zowel christelijke, islamitische als joodse leden. In 1948 werden die partijen opgesplitst in een joodse en een Palestijnse (christelijk en islamitisch) partij. Die Palestijnse partijen splitsten in 1966 nog een keer over de vraag of ze wel of niet mee moesten doen aan de verkiezingen in een staat die eigenlijk niet de hunne was. Volgens Menem vormen de “Arabische” partijen in de Knesset een vijgenblad voor het uitgedragen beeld van de Israëlische democratie. Ze zijn er wel maar worden door de joodse partijen systematisch buiten de macht gehouden.

Vanuit zijn eigen familiegeschiedenis weet Menem dat veel Palestijnen die 1948 uit hun woningen en dorpen werden verdreven dachten dat ze na een paar dagen, weken of maanden wel weer naar huis terug konden keren. De gezamenlijke Arabische landen zouden het Israëlisch leger verslaan, de nieuw uitgeroepen staat breken en de Palestijnen weer thuis brengen. Dat pakte anders uit en het Palestijns ressentiment richt zich niet alleen op Israël maar ook op de Arabische staten door wie zij zich in de steek gelaten voelen. Ook de Arabische landen maken duidelijk dat ze de Palestijnse vluchtelingen op hun grondgebied liever kwijt dan rijk zijn en Menem wijst in dit verband op de situatie in het Palestijnse Yarmouk-kamp bij Damascus.

Volgens hem is het heel belangrijk om je als Palestijn vooral geen slachtoffer te voelen (dat hebben we vandaag al een keer eerder gehoord! – JS). Het werk van veel Palestijnse NGO’s is er dan ook niet (meer) op gericht om de Palestijnse woongebied terug te krijgen, maar om de situatie van Palestijnen waar ze nu leven te verbeteren en hun volledige mensenrechten en burgerrechten te waarborgen. In Israël betekent dat dat Palestijnen samen moeten werken met joden en joodse organisaties. Menem is tegen een Twee-Statenoplossing. Dat leidt weer tot een scheiding van bevolkingsgroepen.
Gevraagd naar de samenwerking met joodse politiek partijen stelt Menem dat dat lastig is. De natuurlijke politieke bondgenoten voor Palestijnse partijen zijn de linkse joodse partijen, maar die zijn allemaal socialistisch-zionistisch. Dat eerste is goed, dat tweede niet. Volgens Menem zit er ook een tegenstrijdigheid in socialistisch en zionistisch: hoe kun je nu voor gelijkheid van alle mensen zijn als je tegelijkertijd de joodse identiteit en specifieke joodse rechten wil benadrukken.

Ook de achterstelling van de Palestijnse bevolking in Israël gaat van dag tot dag verder. Vanochtend werden weer zes Palestijnen gedood door het Israëlisch leger en boog de Knesset zich over een voorstel om de kiesdrempel te verhogen naar 3,25%. Een merkwaardig cijfer dat, als je het goed bekijkt, vooral nadelig is voor de Palestijnse of Arabisch partijen in de Knesset. Die zouden nu onderling moeten fuseren om de kiesdrempel te kunnen halen en dat betekent dat er voor Palestijnen in Israël nauwelijks nog iets te kiezen is.
Toch is Menem hoopvol gestemd. Er hangt verandering in de lucht en deze komt vooral van joodse kant. Er groeit een derde generatie joden op in Israël die de moed heeft om vraagtekens te zetten bij de huidige Israëlische maatschappij en de officiële politiek. Deze generatie heeft op dit moment nog geen politieke macht, maar dat komt binnenkort wel.

Menem is van mening dat druk op Israël van buitenaf heel belangrijk is, maar het moet hand in hand gaan met druk op Israël van binnenuit. Anders ontspoort het. Door de opkomst van sociale media is de Israëlische regering niet meer in staat om nieuwsvoorziening en daarmee de publieke opinie naar haar hand te zetten. De buitenwereld komt gewoon binnen, mensen maken contact met elkaar en kritische burgerjournalistiek is in opkomst.

Na deze bemoedigende reactie van Palestijnse zijde op de ontwikkelingen in Israël die wij de afgelopen dagen hebben waargenomen, is het tijd om weer naar de synagoge terug te keren en ons reisprogramma af te sluiten. Daarbij wordt Maaike lof toe gezwaaid, maar ook worden de organisatoren van onze reis, Margreet en Wil, in het zonnetje gezet en hartelijk bedankt voor het initiatief, de organisatie en de begeleiding van de groep.
 

Bij deze gelegenheid laat Bert weten dat Kerk in Actie vijftien jaar geleden al speelde met de gedachte om dit soort indringende reizen te organiseren die zowel Israël als Palestina zouden aandoen, maar de tijd was daar toen kennelijk nog niet rijp voor. Het heeft hem bijzonder verheugd deel te hebben kunnen nemen aan één van de eerste reizen die op dit idee zijn gestoeld. Nes Ammim en het Arab Educational Institute gaan zeer binnenkort ook met Nederlandse reisorganisaties die reizen naar “het Heilig Land” aanbieden in gesprek om ook dit arrangement in hun aanbod naar lokale kerken of andere groepen aan te bieden en uit de 20 monden van dit reisgezelschap klinkt eenstemmig en eenduidig dat we op basis van onze ervaringen de afgelopen dagen eenieder zo’n reis van harte kunnen aanbevelen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen