zaterdag 28 maart 2015

Waarom gaan westerse moslims naar IS?

Dit is het derde deel van de impressie "Ontvlechting Islam en Terrorisme"

Het gastcollege in de tweede workshop-ronde had als titel “Terrorisme en Counterterrorisme”. De “docent”, Maurits Berger, eveneens van de Universiteit Leiden, had net als zijn collega De Jong het probleem dat dit een te breed onderwerp is voor vijf kwartier, zelfs als je het toespitst op het Midden-Oosten. In die regio vindt namelijk heel veel terrorisme en contraterrorisme plaats en men heeft daar zo zijn eigen bestrijdingsmiddelen ontwikkeld. Veel relevanter voor ons is volgens hem de vraag die hij in zijn eigen titel heeft vervat: "
Waarom gaan westerse moslims naar IS?"

Ons beeld van het Midden-Oosten wordt op dit moment bepaald door drie dingen: geweld, vroomheid en politieke onrust (massademonstraties). Dat is een unieke combinatie en ook nog maar van zeer recente datum. De Arabische Lente, waar het beeld van de politieke onrust ontstond, ging niet om de islam. Maar nog geen vier jaar later is het beeld van ISIS dominant. Van het plein naar de woestijn, zo lijkt het. Maar het plein en de woestijn hebben alles met elkaar te maken. Ze staan beiden voor een trend naar zelfbeschikking en voor een trend dat de islam een steeds belangrijkere rol speelt. Zowel ten goede als ten slechte. De hang naar islam en het streven naar democratie is geen tegenstelling. Feitelijk gaat het om twee kanten van de medaille. De medaille van het streven naar zelfbeschikking.

We moeten ook uitkijken de islam nu te vereenzelvigen met ISIS. Er is geen moslimgeleerde te vinden die het eens is met ISIS. Meer dan honderd moslimgeleerden hebben onlangs aan ISIS geschreven waarin ze stellen dat ISIS op een dwaalspoor zit. Met een verwijzing naar het voorgaande college stelt Berger dat dit, juist vanwege de ongeorganiseerdheid van de soennitische islam, een enorme verdienste is om tot zo’n gezamenlijke brief te komen. En ook Al-Maqdisi, de “huistheoloog” van al Qaïda, verzet zich tegen de islam-interpretatie van ISIS. Maar dit soort dingen staan niet in onze kranten en dus blijven wij maar roepen dat “die moslims” zich een keer uit zouden moeten spreken tegen ISIS.

En ondanks die brief en het feit dat de meeste moslims niets van ISIS moeten hebben, vertrekken jonge mensen uit Europa naar ISIS. Het afgelopen jaar meer, dan de afgelopen decennia naar al-Qaïda. Waarom?

In het zoeken naar verklaringen zijn er wetenschappers die de islam als oorzaak van dit handelen aanwijzen en wetenschappers die de islam zien als een rechtvaardiging voor het handelen. Berger behoort tot de laatste stroming. “Islamitisch geweld” is een recent fenomeen. Er woedden al eeuwen oorlogen in het Midden-Oosten en er vinden al jaren gewelddadigheden plaats. De Palestijn George Habbash was de Osama bin Laden van de jaren ’70. Hij was uiterst gewelddadig in de gewapende strijd vanuit Libanon naar Israël. Dat was echter geen religieus conflict en al helemaal geen islamitisch geweld, want Habbash was Grieks-Orthodox. Het was een strijd om land en Habbash stond voor Arabische solidariteit. De strijd werd gevoerd met een nationalistische ideologie. Nu is de Palestijnse strijd een zaak van islamitische solidariteit geworden en is Hamas een sterkere voorvechter van die strijd dan de seculiere PLO.

Nog twee voorbeelden waarom “islamitisch geweld” van recente datum is. De eerste zelfmoordaanslag die door een islamist werd uitgevoerd vond plaats in Beiroet in 1983. De eerste onthoofding was die van David Pearl in 2002. Tegen mensen die deze gewelddaden meteen op de koran willen terugvoeren stelt Berger dat geweld inderdaad op verschillende plekken in de koran wordt gerechtvaardigd, maar dat als je het huidige “islamitisch geweld” als een direct consequentie van de koran wil zien, je ook een verklaring zult moeten geven waarom dat dit in de veertien eeuwen die hieraan voorafgingen niet het geval was. Waarom zouden moslims de oproepen tot geweld die je in de koran kunt lezen veertien eeuwen lang negeren en er nu plotseling uitvoering aan geven.

Je kunt het dus niet op de koran baseren, dan doe je hetzelfde als de salafisten. Je leert moslims niet kennen door de koran te lezen. Dat zou zijn alsof een Japanner ons Europeanen probeert te doorgronden door de bijbel te bestuderen. Dat helpt hem nauwelijks verder om ons gedrag te verklaren. Dat Nederlandse jongeren naar ISIS gaan om mee te vechten, komt dus niet voort uit het feit dat ze dat in de koran lezen.

Berger is met anderen bezig met een boek “Nederlanders en ‘Heilige Strijd’” dat binnenkort uit komt en dat handelt over de Zoeaven, die in 1861-66 de Pauselijke staat hielpen verdedigen tegen de Italiaanse nationalisten, de communisten, die in 1936-39 tegen Franco meevochten in de Spaanse burgeroorlog, en de jihadisten van dit moment.(2012-). Het waren stuk voor stuk Nederlanders, maar die in hun tijd behoorden tot een bevolkingsgroep die anders was dan het stereotype (zelf)beeld van de Nederlanders als protestants-christelijke natie. Ze hoorden er dus niet helemaal bij en hadden bovendien te maken met een soort dubbele loyaliteit aan de Nederlandse en een andere mogendheid waardoor ze door hun omgeving ook wel werden gezien als een vijfde kolonne van die andere mogendheid.


Hoe zit het nu met de Westerse moslims en hun islam? Berger maakt vier onderscheidingen. Allereerst die tussen niet-gelovige en gelovige moslims. Dat klinkt op het eerste gehoor wat vreemd, maar ook binnen het Nederlandse jodendom onderscheiden we gelovige en niet-gelovige joden. De groep niet-gelovigen beschouwt zich wèl als jood cq. moslim, maar dan vooral qua afkomst en cultuur. Qua religie beschouwen zij zich als atheïst of als agnost. Hoewel zelf niet-gelovig, voelt deze groep zich wel verbonden met, in ons geval, de islam en wordt ook geraakt als de islam in het geding is. Het is een deel van hun identiteit.

Binnen de groep gelovige moslims kan dan het onderscheid gemaakt worden tussen traditionelen en puriteinen. Dit onderscheid valt welhaast samen met een generatiekloof. De oudere generatie gelooft zoals ze dat van huis uit (vanuit Turkije of Marokko) hebben meegekregen; de jongere generatie is op zoek naar wat de islam nu echt inhoudt en probeert het geloof en de bijbehorende rituelen te scheiden van wat daar als Turkse cq. Marokkaanse cultuur is bijgekomen. “Waarom eten we die koekjes?” “Ja, dat deed grootmoeder ook zo.” “Wat grootmoeder deed is onbelangrijk; wat deed de profeet?” Dit willen scheiden van zuivere religie en culturele tradities hangt samen met de identiteitscrisis bij die jongere generatie: ben ik Turk/Marokkaan of ben ik Nederlander? Antwoord: ik ben moslim.

Nederland loopt vaak te hoop tegen de uiterlijke verschijningsvormen van de traditionele islam. Voor traditionele moslims is een moskee pas echt een moskee als deze eruit ziet zoals een moskee in het land van herkomst. Dus met een koepel en tenminste één minaret. Voor puriteins moslims hoeft dat helemaal niet. Wat deed de profeet? Die bad gewoon in zijn eigen huis. Een moskee mag dus de vorm hebben van een gewoon woonhuis. Zo bouwen zij hun moskeeën. Dat vinden wij Nederlanders dan weer heel erg prettig want dan valt het niet zo op. Maar de praktijk is, zo stelt Berger, dat als er moskeeën zijn die door de AIVD in de gaten gehouden moeten worden, dit vooral die zo “Nederlands” lijkende moskeeën zijn en niet die moskeeën met koepels en minaretten.

Dat brengt ons tot het derde onderscheid. Binnen de puriteinen onderscheidt Berger inclusief en exclusief denkende moslim. De een beschouwt zichzelf in de eerste plaats als Nederlander en dan één die de islam aanhangt. Dus als hij tijdens de Ramadan in de kantine zijn collega’s hun broodtrommeltjes zit openen dan is dat geen probleem. Hij vast te midden van zijn niet-islamitische collega’s. De exclusief denkende moslim heeft hier meer problemen mee en zou zich liever met gelijkgezinden afzonderen om samen te vasten en zo weinig mogelijk etende niet-moslims tegen te komen. Berger noemt die “de Staphorster variant”. Maar waar de exclusief denkende christenen in Nederland daadwerkelijk in Staphorst of op de Veluwe wonen, in tamelijke afzondering, daar wonen de meeste moslims midden in de Randstad en is het dus veel lastiger om je daadwerkelijk af te zonderen. Toch ligt, in tegenstelling tot wat de meeste Nederlanders denken, bij hen het probleem van de radicalisering niet. Zij willen het liefst gewoon hun gang gaan en met rust gelaten worden.

Voor de radicalen moeten we juist bij de inclusief denkende groep puriteinse moslims kijken, waarbinnen Berger dan weer liberalen van conservatieven onderscheidt. Liberalen zijn in dit verband niet vrijzinnig maar zijn bezig om zich op basis van de islam te emanciperen in de Nederlandse samenleving. Kenmerkend voor deze groep zijn jonge moslima’s die met de koran in de hand hun rechten opeisen in de culturele gemeenschap waartoe zij behoren en waarin ze die rechten niet hebben. De groep conservatieven daarentegen is veeleer sektarisch en intolerant, juist ook ten aanzien van de verdere moslimgemeenschap. Zij voelen zich lang niet altijd thuis in Nederland en hebben het gevoel dat de islam zich hier nooit ten volle kan ontwikkelen.

Maar dat hoeft op zichzelf nog niet tot radicalisering en de aansluiting bij ISIS te leiden. Het is goed om te bekijken welke pull- en push-factoren daar dan een rol bij spelen.

Beginnen we met de pulll-factor. Wat je vaak hoort is het grote onrecht in het Midden-Oosten en het meten met tweematen door het Westen. Het Westen heeft de mond vol van het beschermen van burgers tegen agressieve onderdrukkende regeringen en heeft in het verleden meermalen militaire ingegrepen, maar de grootschalige en allesvernietigende bombardementen op Gaza of Homs grijpt het Westen niet in. Berger meent dat “ze” daar wel een punt hebben en dat Koenders of de Nederlandse regering inderdaad veel meer hun best zouden moeten doen om dat eens een hen uit te leggen. Temeer omdat hun afkeer van Assad niet afwijkt van het officiële regeringsstandpunt. Ze sluiten zich in onze optiek alleen bij de verkeerde clubjes aan. In het begin bij al-Nusra, thans bij de Islamitische Staat in Irak en Syrië.

Dat is een tweede pull-factor: de islamitische staat als utopie. Overigens een heel modern begrip. De oorspronkelijke islam kent eigenlijk geen staat-begrip. Daarin is alleen sprake van een islamitische gemeenschap of het huis van de islam. Er bestaat ook geen islamitische staatsinrichting. Het begrip “islamitische staat” is in 1941 ontstaan in Pakistan, waar de moslims een eigen staat wilden hebben buiten het door hindoes gedomineerde India. Het is dus eigenlijk heel vreemd dat een groep als ISIS, die naar de islam in zijn zevende-eeuwse vorm terug verlangd, zich heel nadrukkelijk wel als staat profileert. Sinds de jaren ’70 is het echter in de islamitische en zeker in de Arabische wereld een breed gedragen utopie. Als je in de Arabische wereld een peiling zou houden, wil bijna iedereen een islamitische staat. Als je vervolgens door zou vragen hoe die er dan uit moet zijn, zal het antwoord veelal achterwege blijven. Men kan je wel vertellen wat het niet is. Het is bijvoorbeeld geen staat die gedomineerd wordt door corruptie. Het verlangen naar een islamitische staat komt dus vooral voort uit de weerzin tegen de huidige staten en regeringen in het Midden-Oosten en de zelfverrijking aan de top. Een club die pretendeert een islamitische staat te zijn oefent dus alleen al vanwege die naam en de verwijzing naar dat verlangen een grote aantrekkingskracht uit.

Dat geldt ook voor Westerse jongeren die menen dat de Westerse samenleving hen onvoldoende ruimte geeft om moslim te zijn. Berger laat vervolgens een propaganda-filmpje van ISIS zien, gericht op islamitische jongeren in het Westen: “Eid Greetings from the Land of Khilafah” Het ziet er allemaal gelukzalig uit en de circa 20 uit het Westen afkomstige mensen die worden geïnterviewd laten de kijker weten:“Hier kun je moslim zijn. Hier leven we hier gelukkig met elkaar.” “Hier leef je vrij van vernedering en vrij van onderdrukking.” Het filmpje is opgenomen in Raqqa (een stad in Syrië met vijf keer de omvang van Zwolle) en in Mosul (een stad in Irak met twee keer de omvang van Amsterdam) en ze laten zien dat ze daar de tent runnen. Mensen die zich hier buitengesloten, gemarginaliseerd of niet serieus genomen voelen, zijn daar wel iemand.

Wat de video in beeld brengt zijn een heleboel dingen. Je kunt je daar als moslim kleden en spreken. Berger, die vele jaren in Syrië en elders in het Midden-Oosten heeft gewoond, heeft daar nooit eerder mensen in deze kleding zien rondlopen en het Arabisch dat ze spreken is een ander Arabisch dan dat in de regio wordt gesproken. Er worden met andere woorden tradities uitgevonden. Een ander beeld is dat het door ISIS beheerste gebied een heilstaat en een thuisland voor moslims is. Vergelijkbaar met de staat Israël voor veel joden. Dáár kun je voluit moslim cq. jood zijn. Verder wordt het onrecht van Assad en van de sji’itische regering in Irak bestreden. Het leven heeft zin voor moslims die in het Westen met de ziel onder de arm lopen en geen volwaardige baan kunnen vinden. Het is avontuurlijk en de eindtijd zal daar spoedig aanbreken.

Want eigenlijk hinkt de ISIS-propaganda op twee benen. Aan de ene kant probeert men uit te stralen dat hier de utopie van de islamitische staat wordt gerealiseerd, maar aan de andere kant wordt aangesloten bij het apocalyptische gedachtegoed. Net als het jodendom en het christendom kent de islam een eindtijdgedachte waarbij, vlak voor de (weder)komst van de Messias, Christus of de Mahdi, een grootse veldslag zal plaatsvinden. In de joodse en christelijke traditie bij Armageddon; in de islamitische bij een onbeduidend dorpje in het noorden van Syrië. Daar zal een veldslag moeten plaatsvinden tussen de legers van de islam en die van de Amerikanen en de Turken. En na die finale wereldslag zal de Mahdi verschijnen. Daar kun je als gelovige dan ook maar beter bij zijn. De Amerikanen heeft ISIS al bijna het gebied ingetrokken, nu de Turken nog en met het oog op de eindtijd wordt alles wat niet islamitisch is kort en klein geslagen en moeten niet-islamitische bevolkingsgroepen van het toneel verdwijnen. Ook die gedachte zit erachter en vormt zeker een pull-factor voor Westerse moslims.

Kortom, er zijn heel verschillende motieven waarom Westerse moslims zich tot ISIS aangetrokken voelen. Om met Máxima te spreken: “dè Syriëganger bestaat niet.”

Naast de aantrekkingskracht van ISIS zijn er ook push-factoren die van invloed zijn op het vertrek van Nederlandse of Westerse moslimjongeren naar Syrië of Irak. Deze factoren hebben te maken met de onderhuidse vraag binnen de autochtone gemeenschap “willen jullie hier wel zijn?” en binnen de allochtone gemeenschap “mogen wij hier wel zijn?” Die vragen speelden 150 en 75 jaar geleden ook bij de Zoeaven en communisten: “ze horen er eigenlijk niet bij want ze zijn niet zoals wij en hebben een dubbele loyaliteit”.

De Nederlandse samenleving heeft de afgelopen jaren heel veel signalen afgegeven dat “zij” er eigenlijk niet bij horen. Meer dan wij, autochtone Nederlanders, ons bewust zijn. Het is het hele assimilatiedebat dat in het eerste decennium van deze nieuw eeuw intensief werd gevoerd. De enorme kritiek toen Máxima verklaarde dat zij “dè Nederlandse identiteit niet had gevonden”. Maar er zijn veel meer voorbeelden van te vinden.

Ook lopen moslims in onze samenleving aan tegen dubbele moralen waarvan “wij” ons niet bewust zijn. Bijvoorbeeld de omgang met anti-islamitische en antisemitische uitspraken. Anti-islamitische uitspraken, “daar moeten ze maar tegen kunnen”, maar bij antisemitische uitspraken is het land te klein en word je meteen voor de rechter gedaagd. Punt is dat het bij antisemitische uitspraken over personen gaat en bij anti-islamitische uitspraken over “de islam”. En ons strafrecht beschermt wel personen en geen religies (het verbod op godslastering is zelfs onlangs afgeschaft) of instituten (op het koningshuis na). Wilders benadrukt ook steeds dat hij niets tegen moslims heeft, maar wel tegen de islam en is dus strafrechtelijk niet op zijn uitspraken aan te pakken.

Een ander punt waar moslims in de Nederlandse (en Westerse) samenleving tegenaan loipen is toch discriminatie. Op straat maar vooral op de arbeidsmarkt. Rutte kan wel zeggen dat je dan maar beter je best moet doen, maar de werkloosheid onder moslims is structureel vier keer zo hoog als onder niet moslims. Dan kun je je toch afvragen wat je daar als individu aan kunt doen.

Als je één keer door zo’n bril kijkt, dan zie je, ook als autochtoon, steeds meer van dit soort voorbeelden. Jonge moslims voelen zich in de steek gelaten, onbeschermd door de Nederlandse rechtstaat en vragen zich af wie voor hen op komt. Dat wil niet zeggen dat ze massaal naar het Midden-Oosten vertrekken om met ISIS te gaan vechten, maar wel dat er een heel brede voedingsbodem is waar ISIS uit kan rekruteren. Inmiddels zijn er zo’n 180 Nederlandse moslim-jongeren naar Syrië en Irak afgereisd. En de regering weet niet wat ze hiertegen moet doen.

Sinds een paar jaar is er een tweemaandelijks overleg van de ministeries van Binnenlandse Zaken, Veiligheid en Justitie en Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een aantal terrorismedeskundigen om een contra-terrorisme-beleid uit te stippelen. De eerste reactie was repressief. Mensen hinderlijk volgen, oppakken voordat ze uitreizen en de hele discussie over paspoorten afpakken als ze een keer zijn vertrokken. We zitten inmiddels in de fase dat nagedacht wordt over preventieve maatregelen waarbij het woord integratie weer centraal staat. Dus het wegnemen van de zojuist beschreven brede voedingsbodem. En ondertussen klinkt ook het zogenaamde “counter-narratief”: het tegenverhaal.
Dat tegenverhaal zou dan de Nederlandse rechtsstaat moeten zijn, waar wij “pal” voor willen blijven staan. Berger vindt dat onzin. Die rechtsstaat wordt helemaal niet bedreigd. In ieder geval niet door ISIS of de Nederlandse Syrië-gangers. Sterker nog zij en de meeste moslimjongeren in Nederland hechten ook aan die rechtsstaat. Zoals hij aan het begin van zijn verhaal schetste hangen de opstanden van 2011 tegen de corrupte en onderdrukkende regiems en het toegenomen islamisme in de Arabische regio met elkaar samen. En ook in Nederland verwachten moslims veel van de veelgeroemde rechtsstaat die hen immers de bescherming zou moeten bieden tegen discriminatie en inperkende maatregelen om hun geloof te kunnen leven. Hun verwachting en omarming van onze rechtsstaat is zelfs groter dan die van de gemiddelde autochtoon, zo blijkt uit onderzoek, en groter dan wat de rechtsstaat hen daadwerkelijk biedt, zo zagen we eerder. Belediging van joden wordt aangepakt, belediging van moslims niet.

Ook de kreet “wij verdedigen onze waarden” is in de praktijk geen inclusief verhaal. Daar worden moslims buiten gehouden. Het verdediging van onze waarden komt in de praktijk neer op het creëren van een tegenstelling tussen wij en zij. Als wij voor onze rechtsstaat willen staan en onze rechtsstaat willen beschermen dan moeten we eens goed kijken hoe deze ook ten aanzien van moslims functioneert.

De hele discussie die we nu hebben over radicalisering en “islamitisch geweld”, zoals dat heet, hadden we 10 jaar geleden ook, naar aanleiding van de aanslagen van 11 september 2001 maar meer nog naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh. Er zijn toen allerlei maatregelen genomen en wetten ingevoerd om bepaalde groepen aan te kunnen pakken. Juridisch hebben we alles al, aldus Berger. Daarom zitten we nu met onze handen in het haar, omdat er we eigenlijk niet meer zoveel aan maatregelen en wetgeving kunnen verzinnen terwijl de politiek wel graag wil laten zien dat “we iets doen”.

De vraag is dus: wat hebben we gemist? Tien jaar geleden, zo stelt Berger, ging het ook al om preventie en werd daarbij naar integratie gekeken. Die werd vooral sociaal-economisch ingevuld. Er is veel gedaan om de sociaal-economische achterstand van allochtonen te verkleinen en uit onderzoek blijkt dat er ook daadwerkelijk stappen in die richting zijn gezet. Punt is dat het achtergesteld voelen niet alleen met een sociaal-economische achterstand te maken hebben maar ook met het gevoel geaccepteerd te zijn. Je hier thuis te kunnen voelen. En dat is eigenlijk veel belangrijker. Het kan je economisch goed gaan, maar als je continu het idee hebt er eigenlijk niet bij te horen schiet je daar weinig mee op. Op dat vlak ligt dus een grote uitdaging en daarbij gaat het er niet alleen om dat “die moslims” beter hun best moeten doen, maar het vergt ook een verandering bij ons.

In de vragenronde die hierop volgde maakte Berger duidelijk wat hij daar zoal mee bedoelde.

In zijn werk als adviseur van diverse overheden en instellingen merkt hij dat onze samenleving helemaal niet meer om kan gaan met religie. Religie is zodanig teruggedrongen naar het privé-domein dat professionals meteen in een kramp schieten zodra ze er in hun werk mee worden geconfronteerd. Men denkt dan een theologische discussie aan te moeten gaan en schakelt dan Berger als islamoloog in. Maar dat is onzin, volgens Berger. Je moet vanuit je professionaliteit blijven reageren. Een onderwijzers die van een kind te horen krijgt dat iets “haram” is, moet hetzelfde reageren als een kind zegt dat iets “vies” is. Het betreffende kind hoeft het niet te eten als het het haram of vies vindt. Daar hoef je geen discussie over aan te gaan. Maar omdat één kind iets haram of vies vindt, kun je het de rest van de klas nog wel voorzetten.

Ook Berger komt de laatste tijd veel in de Haagse Schilderswijk en hij merkt dat de scholen daar helemaal geen probleem hebben met hun islamitische leerlingen, maar dat ze domweg niet weten hoe ze op religieuze uitingen moeten reageren. Ze kunnen er niet (meer) mee omgaan. Je moet in ieder geval als school geen theologische discussie aangaan. Het gaat ook niet om het gebrek aan kennis van de islam bij het docentencorps of de schoolleiding, maar om het missen van de vaardigheid om met religie om te gaan.

Onze samenleving is in hoge mate anti-religieus geworden. Terwijl wij drie christelijke partijen in de Tweede Kamer hebben zitten, is het not done om in politieke debatten bijbelteksten te gebruiken of God te noemen. In Amerika, waar geen christelijke partijen bestaan, is dat juist doodnormaal. Sterker nog, als je geen bijbelteksten citeert of God niet noemt kun je daar geen president worden. Berger ervaart ook wel dat autochtone burgers bang zijn dat de islam het straks gaat overnemen, net nu we in Nederland van de dominantie van de kerken zijn “bevrijd”. Maar dan heb je in de eerste plaats dus helemaal geen vertrouwen in je rechtsstaat en de veerkracht van onze eigen samenleving en in de tweede plaats hoef je anderen, die daar zelf voor kiezen, niet te bevrijden van hun religie. Als je vindt dat religie gek en achterhaald is, hoef je dat idee toch ook niet aan anderen op te leggen? Die gedachte is ook bijna Wilderiaans: “ze moeten allemaal net zo seculier zijn als wij”. Maar als we dat werkelijk vinden, dan moeten we onze rechtsstaat afschaffen want die garandeert vrijheid van godsdienst en als wij hen het seculiere gedachtegoed willen opleggen is er geen vrijheid en gelijkheid.

Berger gaat nog een stap verder. Als we het hebben over “onze waarden” dan hebben we het vaak helemaal niet over de rechtsstaat, maar net als Wilders over onze culturele vanzelfsprekendheden. En daar zit inderdaad die uitsluiting van anderen in. Als we in betrekkelijk korte tijd een grote groep mensen met een andere culturele achtergrond in onze samenleving hebben opgenomen, dan moeten we niet alleen verwachten dat “zij” zich aanpassen, maar mogen we ook wel met een kritische blik naar onze eigen cultuur kijken. Kijk naar de hele Zwarte-Pieten-discussie. Het land was te klein, want onze cultuur werd bedreigd! Maar als je er nuchter naar kijkt, dan zul je toch moeten erkennen dat zoiets echt niet kan. Dat het buitenland er terecht schande van spreekt en dat je zo’n stereotype beeld in een multiculturele samenleving niet kunt laten voortbestaan. En de felheid van zo’n debat geeft heel veel mensen weer het gevoel er eigenlijk niet bij te mogen horen en doet hen verlangen naar een staat waar zij zichzelf mogen zijn.

De oudere generatie autochtonen is blij getolereerd te worden in onze samenleving. Voor de jongere generatie is dat niet genoeg. Zij zijn Nederlander en geloven in een rechtstaat van vrijheid en gelijkheid voor alle burgers, en dus ook voor hen.

Wat kunnen we in onze eigen omgeving doen? In de zaal zit een ambtenaar “religieuze zaken” van de gemeente Amsterdam, die stelt dat hij merkt dat veel moslims en aanhangers van andere religies het gevoel hebben dat naar hen niet wordt geluisterd. Dat ze nooit serieus genomen worden. Anderzijds merkt hij dat er vanuit de islam ook geen handvaten zijn hoe je je als moslim gedraagt in een niet-islamitisch land. Een lokale PvdA-ster uit Zwolle die voor haar stad met een plan van aanpak wil komen, wordt door Berger gewaarschuwd. Kom niet meteen met een plan van aanpak. Ga eerst maar eens luisteren. Je vooronderstellingen hoeven niet te kloppen. Dat ze “niet gehoord worden” hoeft niet het geval te zijn. Zijn ervaring is dat het probleem vaak ligt bij hoe anderen vervolgens reageren op wat ze horen. De laatste vraag, wie in de beste positie zit om de situatie te beïnvloeden krijgt als antwoord dat Berger een “strategisch pluriforme groep” om zich heen heeft verzameld en dat naar bevindt van zaken een Marokkaanse moslima of de witte professor naar een groep of overleg gaat. Het blijft aftasten en uitproberen. Een algemeen geldend recept is er niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen