donderdag 12 maart 2015

Armeense Genocide: Hebben wij het niet geweten?

Het Duitstalige zinnetje "wir haben es nicht gewusst" legt in de na-oorlogse geschiedenis het verschil tussen niet hebben KUNNEN weten en niet hebben WILLEN weten bloot. Verschrikkingen waar we misschien wel, al was het als passief toeschouwer, bij betrokken waren en die we liever niet onder ogen willen zien omdat we dan ook onze betrokkenheid onder ogen moeten zien.


Deze vraag stond centraal bij de opening van de tentoonstelling over de Armeense Genocide en de Aramese Sayfo vanavond in de Openbare Bibliotheek in Almelo. Ook deze tentoonstelling was samengesteld door het Comité 1915 waarmee Armeense en Aramese organisaties de rest van de Nederlandse bevolking willen informeren over de verschrikkingen die volgende maand rond het monument in Almelo worden herdacht, maar anders dan bij de opening van de tentoonstelling in Enschede ging het dit keer bij de opening niet enkel om het uitmeten van de verschrikkingen van toen, maar juist ook om de vraag wat we, de Nederlandse bevolking, er destijds van hadden KUNNEN weten en kennelijk in de loop van de tijd niet meer hebben WILLEN weten. Op deze iets toegespitstere vraag was de tentoonstelling ook ingericht. Het is dan ook een andere tentoonstelling dan die in Enschede en blijft tot 21 maart in de Openbare Bibliotheek van Almelo staan.



De vraag wat we er eigenlijk van wisten en wilden weten kwam al meteen aan bod in de inleiding van Arie Slob, fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer. Hij hoorde pas van de Armeense Genocide toen hij na de middelbare school geschiedenis ging studeren aan de RijksUniversiteit Groningen. En hij was geschokt. Niet alleen door de feiten die hij toen onder ogen kreeg, maar juist ook door het feit dat deze genocide kennelijk niet in het reguliere geschiedenisonderwijs op Nederlandse scholen aan de orde komt.


Slobs voorganger André Rouvoet diende ruim tien jaar geleden de motie Rouvoet in die op 21 december 2004 een overweldigende Kamermeerderheid achter zich kreeg waarmee de Tweede Kamer feitelijk de Armeense Genocide erkende. Men was destijds opgetogen, maar inmiddels tien jaar later is dat optimisme wel danig getemperd, aldus Slob.

Het lijkt alsof de ontkenners van de genocide steeds strijdbaarder worden en daarom heeft de ChristenUnie een wetsvoorstel voorbereid om ontkenning van de Armeense Genocide en ook van de Holocaust strafbaar te stellen. Tot dusverre kan dit wetsvoorstel echter alleen nog maar op steun van de SGP rekenen. 

Maar ook de Nederlandse regering lijkt zich weinig aan de Armeense Genocide gelegen te laten liggen. Het belang van de herdenking van de Armeense Genocide op 24 april a.s. wordt door de regering absoluut niet onderkend. Naar de herdenking in Jerevan, waar verschillende regeringsleiders bij elkaar komen, vaardigt Nederland de ambassadeur in Georgië, die ook Armenië bedient, af. Daarom gaat Slob zelf naar die herdenking, maar samen met de SGP en de PVV heeft hij ook Kamervragen gesteld over de weigering van de Nederlandse regering om de herdenking bij te wonen.


Een tentoonstelling als deze is daarom hard nodig en Slob hoopt dat de tentoonstelling de ogen zal openen van iedereen die deze onder ogen krijgt zodat zij schouder aan schouder zullen staan met de Armeniërs en Arameeërs die deze tentoonstelling hebben ingericht.


De tweede spreker was de ambassadeur van de republiek Armenië in Nederland, mevrouw Dzuinik Aghajanian. Zij gaf aan dat veel politici het liefst de zwarte bladzijden uit de geschiedenisboeken zouden willen scheuren. Maar juist die zwarte bladzijden horen er ook bij en dienen ons als waarschuwing. Vergeten, ontkennen en straffeloosheid plaveien de weg naar de herhaling. En helaas zien we dat op dit moment ook in het Midden-Oosten, waar de geschiedenis van 100 jaar geleden zich momenteel herhaalt, aldus Aghanjanian.


Ze zag in de tentoonstelling de reacties van toen. De humanitaire hulp die vanuit het Westen werd geboden aan Armeense en Aramese slachtoffers van de genocide, maar ook de ontkenning door de oorlogvoerende landen. Ook hier ziet ze een herhaling in het heden en ze onderstreept dat economische en geopolitieke belangen nooit mogen prevaleren over de verschrikkingen die gewone burgers tijdens een genocide worden aangedaan.


De derde spreker was Minas Arseenian van het Nederlands Armeense Comité voor Rechtvaardigheid en Democratie (Hay Tad). Hij gaf een overzicht van de 22 landen die sinds 1965 de Armeense Genocide officieel hebben erkend en waarbij Urugay en ook Argentinië voorop liepen. Uit het overzicht blijkt dat veel van deze erkenningen bestaan uit een veroordeling van het geweld dat destijds door het Ottomaanse Rijk is gepleegd tegen de Armeense en Aramese bevolking of uit een solidariteitsverklaring met deze door de genocide getroffen bevolkingsgroepen. In sommige verklaringen wordt 24 april ook als nationale herdenkingsdag uitgeroepen en wordt bijvoorbeeld onderricht over de genocide verplicht gesteld. Dat hebben we in Nederland dus nog niet geregeld.

Sterker nog, uit de tekst van de motie Rouvoet die Arseenian bespreekt, blijkt de erkenning van de Armeense Genocide feitelijk indirect. Er wordt verwezen naar een resolutie van het Europees Parlement waarin de Armeense Genocide wordt erkend en vervolgens wordt de Nederlandse regering opgeroepen om in de onderhandelingen met Turkije over toetreding tot de Europese Unie erkenning van de Armeense Genocide te eisen. De erkenning van de Armeense Genocide door de Tweede Kamer is dus vooral impliciet.


Nog ernstiger is dat de regering in haar recente brief aan de Tweede Kamer over het bijwonen van de 100-jarige herdenking van de Armeense Genocide spreekt over de "Armeense Kwestie" en stelt dat een en andere nog vastgesteld zal moeten worden door nog te verrichten wetenschappelijk onderzoek. Dat zijn exact de bewoordingen van de Turkse regering. In plaats van dat de Nederlandse regering uitvoering aan de motie Rouvoet geeft en de Turkse regering tot erkenning aanzet, blijkt de Nederlandse regering zich de houding in deze van de Turkse regering eigen te hebben gemaakt.

Arseenian wijst er tenslotte op dat we destijds wel degelijk beter wisten. In 1918 al werd de publicatie "Marteling der Armeniërs in Turkije" uitgeven door het Nederlandse Comité ter ondersteuning van het Armeense Volk dat tijdens de Eerste Wereldoorlog actief was en bestond uit diverse Eerste en Tweede Kamerleden en oud-ministers. Het zette zich in om bekendheid te geven aan de massamoord op de Armeniërs (het woord 'genocide' bestond toen nog niet) en om gelden in te zamelen om humanitaire hulp te bieden. Het is dus geen kwestie van niet hebben KUNNEN weten, maar van niet hebben WILLEN weten.


Tot slot sprak Stire Kaya-Cirik, schrijfster van de roman "Echo uit een onverwerkt verleden". Zij benadrukte nog eens hoe belangrijk de erkenning van de genocide is. "Wij, Armeense en Aramese nabestaanden, willen wel vergeven, maar daarvoor is wel erkenning nodig door degene die wij zouden moeten vergeven. Zonder erkenning en vergeving kunnen we het verleden niet laten rusten, blijven we ermee rondlopen en zal de genocide tussen ons en Turkije in blijven staan." Gelukkig, zo ervaart ze ook, zijn er steeds meer Turken die deze zwarte bladzijden uit hun geschiedenis inmiddels onder ogen hebben gezien.

Een paar beelden van de tentoonstelling die vooral uit krantenberichten uit 1915, de jaren ervoor en erna bestaat.












Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen