zaterdag 28 maart 2015

Islamitische stromingen in het Midden-Oosten


Dit is het tweede deel van een impressie "Ontrafelen Islam en Terrorisme"

In het kader van mezelf informeren om al doende een bijdrage te kunnen leveren aan die strijd tegen de polarisatie bezocht ik in de eerste workshopronde het “gastcollege” van Ab de Jong, hoogleraar vergelijkende godsdienstwetenschappen aan de Universiteit Leiden, met als titel: "Islamitische stromingen in het Midden-Oosten"

Hij vertelde dat bij zijn eigen opleiding in de godsdienstwetenschappen de kleinere geloofsgroepen genegeerd werden. Christendom, islam (en daarbinnen alleen de soennitische stroming; die sji’ieten waren een minderheid van net 10% en deden er verder niet toe), jodendom, hindoeïsme en boeddhisme. Dat was het wel zo’n beetje. Dat is ook wat de meeste mensen op de een of andere manier nog wel herkennen. Maar door de recente oorlogen in het Midden-Oosten horen we nu ook over de alawieten of nusayris’s, over de jezidi’s, de zaydi’s of houthi’s? Wie en wat zijn dat nu allemaal? Het antwoord op die vraag is erg lastig, vooral ook omdat het vaak tamelijk gesloten en zelfs geheime genootschappen zijn en sommige groepen ook intern verdeeld zijn over de vraag hoe zij geduid kunnen worden. Alleen al de vraag of een bepaalde godsdienst wel of geen stroming binnen de islam is levert bij sommigen interne tweespalt op, zoals bij de Druzen, maar ook een Koerdische groep waarvan ik de naam niet heb kunnen onthouden. Laat staan overigens, of de overige moslims hen willen beschouwen als stroming binnen de islam.

Vijf kwartier voor een overzicht dat recht doet aan al deze kleine religieuze stromingen is onmogelijk volgens De Jong, en dus heeft hij gekozen voor een andere benadering van het vraagstuk, die hij wil beginnen met een korte schets van de religieuze diversiteit in het Midden-Oosten, gevolgd door de drie types van monotheïsme binnen de islam en andere godsdiensten om daarna te eindigen met een beschrijving van verschillende religieuze stromingen en hun betekenis.

Maar eerst nog een paar opmerkingen vooraf. De islam is de één na grootste godsdienst in de wereld na het christendom en voor het hindoeïsme. Als je de groep niet-gelovigen of “weet het niet” ook in het overzicht wil betrekken, staat deze op de derde plaats, tussen de islam en het hindoeïsme. Die volgorde tussen de religies is een tamelijk constante en zal ook de komende decennia niet echt veranderen. Enkel de zojuist-genoemde groep niet-gelovigen/niet-weters heeft de afgelopen eeuw een grote groei doorgemaakt en begint nu juist weer af te nemen. Op wereldschaal.

Als we nog even op die wereldschaal blijven hangen, dan moeten we ons realiseren dat de meeste moslims helemaal niet in het Midden-Oosten wonen, maar in (de rest van) Azië. Het land met de meeste moslims is Indonesië (203.000.000), gevolgd door India (187.000.000), Pakistan (181.000.000) en Bangladesh (142.000.000). Ook daarna zitten we nog niet meteen in de Arabische wereld. Het vijfde land qua aantal moslims is Nigeria, dan volgt Egypte, gevolgd door Iran en Turkije. Maar in het Midden-Oosten vormen moslims wel het hoogste aandeel van de bevolking, met meer dan 90%.

De islam ontstond in een wereld die gedomineerd werd door twee onderling rivaliserende staten het christelijke Byzantijnse Rijk en het zoroastrische Sasanidische Rijk. In dit hele gebied van de Balkan tot Afghanistan leefde daarnaast omvangrijke een joodse minderheid en op de grens van de twee rijken, aan de benedenloop van de Eufraat en de Tigris, leefden tamelijk geïsoleerd en onopgemerkt de mandeeërs. Daarnaast woonden in het hele gebied manicheeërs die zowel door de Byzantijnen als door de Sasaniden werden vervolgd.

De islam ontstond dus in een gebied met verschillende gevestigde godsdiensten en zowel in de koran als in andere islamitische geschriften worden deze andere godsdiensten ook benoemd en worden aanwijzingen gegeven hoe moslims zich tegenover die andere godsdiensten moeten verhouden. Dat is tamelijk uniek; in het christendom bestaat zoiets niet. Het was ook wel nodig, want gedurende de eerste eeuwen van de islam vormde deze godsdienst een minderheid in het enorme rijk dat het in betrekkelijk korte tijd op de Byzantijnen en Sasaniden had veroverd. Overigens zou je kunnen zeggen dat de islam in de omgang met andere religieuze stromingen binnen haar rijk feitelijk het Sasanidische voorbeeld heeft overgenomen.

De islam maakt onderscheid tussen drie categorieën van andere godsdiensten. In de eerste categorie, die van de volkeren van het boek, vallen de joden en de christenen. Zij staan het dichtst bij de islam en worden getolereerd. De tweede categorie omvat de zoroastriërs en mandeeërs. Zij zijn de volkeren van het contract. Met hen wordt een contract (dhimmi) gesloten die hen godsdienstvrijheid garandeert, maar waarvoor ze wel belasting moeten betalen. Alle andere religieuze groeperingen moeten zich bekeren of worden verdreven. Dat is de derde categorie.

Op deze omgang van moslims met andersgelovigen is vanuit onze, 21ste eeuwse, Westerse optiek veel kritiek mogelijk. Het is een vorm van geïnstitutionaliseerde discriminatie en vernedering. Bij het innen van de belasting werd niet nagelaten de betreffende religieuze groeperingen op alle mogelijke manieren te pesten en te vernederen. In het 19de eeuwse was die vernedering verschrikkelijk. Maar je kunt het ook positief bekijken. De islam kon omgaan met andere religieuze bevolkingsgroepen. In (West-)Europa bestond die periode een christelijke monocultuur waar hooguit het jodendom werd gedoogd en dat ook nog lang niet altijd en overal. Het Engelse woord “christendom” duidt ook het Europese territorium aan waar christenen de meerderheid vormden. Als je 1000 of 1500 als peildata neemt, dan was de islamitische wereld veel pluralistischer dan Europa en kon je als religieuze minderheid beter daar zitten. In 2015 pakt die peiling heel anders uit.

Op dat kunnen omgaan met religieuze minderheden door de islam, en dat in de islamitische wetgeving is verankerd, is echter één belangrijke uitzondering en die geldt de religies die na het ontstaan van de islam opkwamen. De bahá’i, bijvoorbeeld. Dit heeft te maken met het zelfbeeld van de islam. De kern van de islamitische religie is natuurlijk niet pas met Mohammed gekomen, maar bestaat sinds het begin van de mensheid. Adam en Eva waren moslims. De mensheid is in haar geschiedenis echter verschillende malen van het rechte pad en de ware godsdienst afgedwaald en dat leidde tot het ontstaan van bijvoorbeeld het jodendom en het christendom. Mozes en Jezus waren belangrijke profeten die God naar de mensheid heeft gezonden, maar zij zijn door hun volgelingen fout begrepen. Daarom zond God nog één keer een profeet, Mohammed, om nu voor eens en altijd duidelijk te maken hoe het echt zat. Mohammed is dus de laatste profeet die van God gekomen is en de door hem verkondigde islam is af en volmaakt.

Dat de stroom nieuwe religies ook na Mohammed aanhield in het Midden-Oosten is iets waar de islam niet mee om kan gaan en die ook niet op haar tolerantie kunnen rekenen. De meeste van die nieuwe stromingen verdwenen dan ook weer snel, maar andere hadden duurzaam succes, zoals de Bahá’i, hoewel dus niet in het Midden-Oosten en al helemaal niet in Iran waar het is ontstaan. Dit is ergens ook de reden waarom binnen diverse godsdienstige stromingen in het Midden-Oosten interne verdeeldheid is over haar eigen ontstaansgeschiedenis en haar verhouding tot de islam. Je kunt je dan maar beter beroepen op een eeuwenoude voorgeschiedenis van vér van voor de islam of juist proberen om jezelf zoveel mogelijk als stroming binnen de islam te karakteriseren, want anders ben je al snel een afvallige en over het omgaan met afvalligen is de islamitische wet dan wel weer heel erg duidelijk. Dit is dus een belangrijke verklaring voor het eerder geconstateerde probleem dat diverse religieuze groeperingen, zoals de jezidi’s, de alevieten, de druzen, de alawieten, soms claimen een heel oude, aparte godsdienst te zijn en soms juist weer een stroming binnen de islam en hun leer en rituelen vaak geheim houden voor buitenstaanders. (De jezidi’s claimen bijvoorbeeld dat hun religie pre-islamitisch is terwijl deze volgens De Jong uit de dertiende eeuw dateert.)

Net als het christendom heeft de islam een prijs betaald voor haar enorme groei, namelijk een interne versplintering. De bijbel en de koran melden niet genoeg, zijn niet begrijpelijk genoeg en schieten ook op andere manieren tekort. Dat roept als vanzelf ideeën op die zich richten op geheime boodschappers die aanvullende informatie proberen te geven op de heilige boeken.

Beide godsdiensten claimen, net als het jodendom, monotheïstisch te zijn (waarbij de islam het christendom in de koran beschuldigt van polytheïsme) maar monotheïsme bestaat alleen in de filosofie, niet in de godsdienstige realiteit. In alle monotheïstische godsdiensten bestaat de onzichtbare wereld uit meer dan één gepostuleerd wezen dat we ‘God’ noemen. Ook in de islam komen engelen voor en jinns en zielen van de overledenen en heiligen. Alleen God wordt gezien als ongeschapen, maar dat is een theologisch verschil. Voor buitenstaanders betekent dat onderscheid niets. Al die andere hemelse wezens zijn ook nodig omdat je geen verhaal kunt vertellen over slechts één wezen. Om een verhaal boeiend te houden heb je meer actoren nodig.

Maar los van deze relativering van het monotheïsme, zijn er drie vormen te onderscheiden naar de verhouding tussen God en mensen.

De eerste is dat God ten diepste onkenbaar is en zijn eigen wereld bewoont. Hij kan alleen gekend worden door zijn openbaring. De enige optie die de mens heeft is gehoorzaamheid of onderwerping aan Gods geboden. Er is een scherpe grens tussen de twee werelden.

In de tweede vorm is God eveneens ten diepste onkenbaar en bewoont hij zijn eigen wereld, maar vanuit die eigen wereld doet hij echt veel moeite om door de mensen gekend te worden en hij leidt de mensen door middel van kennis die door een selecte groep menselijke leiders wordt bemiddeld. De grens tussen de twee werelden is dus poreus waarbij God doordringt naar de wereld van de mensen.

In de derde vorm bewoont God zijn eigen wereld, maar kunnen sommige mensen in zijn natuur participeren. Dat doen ze door het eigen bestaan te ontstijgen en eigen bestaan te vernietigen. Ook hier is dus sprake van een poreuze grens waarbij de mens kan proberen door te dringen tot de wereld van God. 


Hoewel het altijd lastig is om een ideaaltypische indeling, zoals de bovenstaande, te koppelen aan in de werkelijkheid bestaande stromingen, zou je wat de islam betreft kunnen zeggen dat de eerste vorm typisch soennitisch is, de tweede sji’itisch en de derde vooral bij de soefi voorkomt. In het christendom is de derde vorm ook vooral aanwezig bij christelijke mystici, maar zie je dat de tweede vorm vooral aan het katholicisme gerelateerd is en de eerste vorm in het protestantisme en dat is ergens vreemd omdat het protestantisme een reactie op het katholicisme is en het voor de hand ligt om de tweede vorm juist als reactie op de eerste vorm te beschouwen zoals de sji’itische stroming binnen de islam ook een reactie is op de soennitische stroming. Verder moet je op basis van deze toekenningen constateren dat de overgrote meerderheid van de moslims dus de eerste vorm van monotheïsme aanhangt en de overgrote meerderheid van de christenen de tweede vorm.

We gaan, met De Jong, verder met het onderscheid tussen soennieten en sjiieten, waarbij de spreker opmerkt dat alles wat hij hierover zegt omstreden is omdat hij als wetenschapper en buitenstaander vooral moet constateren dat we heel veel (zo niet alles) niet weten of niet met zekerheid kunnen reconstrueren, terwijl het voor de soennieten enerzijds en de sji’ieten anderzijds absolute (geloofs)zekerheden zijn en de wetenschappelijke claim dat het niet bewijsbaar is volstrekt onacceptabel is. Zo verklaarde De Jong ooit tijdens een college over de ontstaansgeschiedenis van de islam dat volstrekt onduidelijk is of Mohammed in Hom nu wel of niet had toegezegd aan zijn schoonzoon Ali dat deze hem mocht opvolgen. Deze opmerking was onaanvaardbaar voor een soennitische èn voor een sji’itische student in de zaal die vervolgens bijna met elkaar op de vuist gingen omdat de eerste zeker wist dat deze belofte niet was gedaan en de tweede even zeker dat deze belofte wel was gedaan. Elke gelovige moslim moet hier een keuze in maken. “Weet niet / geen mening” is geen optie. Voor beide kanten niet. Het verschil tussen soennieten en sjiieten wordt ten onrechte altijd in politieke termen gegoten, maar het ging om meer dan macht, zo stelt De Jong.

Wat we wel weten en ook onder soennieten en sji’ieten als feit niet ter discussie staat is dat de eerste kalief (plaatsbekleder) Abu Bakr was, en dat hij werd opgevolgd door Umar, daarna Uthman en daarna door Ali. De soennieten noemden deze vier eerste kaliefen de “rechtgeleide” kaliefen, terwijl de sji’ieten het recht van de eerste drie kaliefen op deze functie verwerpen en stellen dat Ali de eerste kalief had moeten zijn in plaats van Abu Bakr, die, volgens de sji’ieten, kalief was geworden door duister spel van zijn dochter Aïsha die met Mohammed was getrouwd. Aïsha is in soennitische landen, bijvoorbeeld Turkije, een heel populaire meisjesnaam, terwijl je hem in het sji’itische Iran niet zult horen. Je kunt deze kwestie afdoen als een familie-ruzie om de erfenis (Ali was een schoonzoon van Mohammed, gehuwd met diens dochter Fatima), maar volgens De Jong was er meer aan de hand en ging het in feite om de twee eerstgenoemde vormen van monotheïsme.

De vraag was namelijk of de plaatsbekleder van Mohammed, de leider van de moslims, “gewoon” mocht komen uit de gemeenschap van gelovigen en aangewezen op grond van zijn kwaliteiten, of dat deze plaatsbekleder een heel speciale figuur moest zijn en bijvoorbeeld via bloedverwantschap aan Mohammed gerelateerd moest zijn. Overigens was er bij de opvolging van Mohammed als leider van de moslims (niet als profeet, natuurlijk!) sprake van nog een derde variant die ook een duchtig toontje meeblies in het conflict en de gewapende strijd die erop volgde, maar om het verhaal niet nog complexer te maken had De Jong besloten om die even buiten beschouwing te laten. Pas als de vlam ook in Oman in de pan slaat, zal die derde variant ook besproken moeten worden. De islam die in Oman dominant is, is namelijk noch soennitisch, noch sji’itisch. Maar dat dus terzijde.

Het ging bij de opvolging van Mohammed dus niet alleen over politiek, maar ook om de theologische kwestie over de verhouding tussen God en mensen: de gelijkheid van alle mensen (in dit geval alle leden van de moslim-gemeenschap) versus het bevoorrecht zijn van een selecte groep, namelijk de nakomelingen van Mohammed via zijn dochter Fatima en haar echtgenoot Ali: de imams. Zij, Mohammed, Fatima, en de 12 imams waarvan Ali de eerste is, zijn de 14 heiligen van de sji’itiche stroming binnen de islam. De 12de imam, Mohammed de zoon van de 11de imam Hasan, loopt volgens de sji’ieten nog steeds op aarde rond en wordt door hen terugverwacht aan het einde der tijdens als de Mahdi. Ook de soennieten verwachten overigens de Mahdi aan het eind der tijden, zoals christenen de wederkomst van Christus verwachten en joden de Messias.

De verschillen en overeenkomsten tussen soennieten en sji’eten zijn in de loop van de geschiedenis minder geworden, maar ze zijn nog steeds aanzienlijk en uiten zich onder andere in verschillende traditieliteratuur, in de leer van het imamaat, in een radicaal andere visie op de vroegste geschiedenis, een fundamenteel ander rechtssysteem (vooral waar het het familierecht betreft) en een intense vorm van aanhankelijkheid aan het “Huis van de Profeet” door de sji’ieten die een heel eigen kalender van feest- en herdenkingsrituelen hebben als het om bijvoorbeeld de sterfdagen van de imams gaat die overigens geen van alle op een natuurlijke wijze zijn gestorven.

Ook binnen de sji’itische stroming zijn er weer afsplitsingen, die veelal worden genoemd naar het aantal imams dat ze gemeenschappelijk hebben. Als dat aantal “vier” is, dan spreken we over de “vijvers” oftewel de zaydi’s die vooral in Jemen wonen (en nu houthi’s worden genoemd). Als dat aantal “zes” is, dan spreken we over de “zeveners” of ismaïli’s die nu vooral sterk zijn aanwezig zijn in India en Centraal-Azië. En als het er twaalf zijn, dan spreken we over “twaalvers” ofwel de hoofdstroom onder de sji’ieten die vooral in Iran wonen. Daar werden ze overigens pas echt een machtsfactor in de zestiende eeuw toen de Safaviden hier hun bewind vestigden en de bevolking van Iran en Azerbeidzjan met harde hand de sji’ietische vorm van de islam oplegden. Daarvoor waren de sji’ieten voor op het Arabisch schiereiland te vinden en in de heilige steden Kerbala en Najaf in het zuiden van Irak, maar ook in het zuiden van Irak vormen ze pas sinds de negentiende eeuw de meerderheid. Daarvoor niet. Hoe die ontwikkeling heeft plaatsgevonden, wil De Jong nog eens uitzoeken.

De sji’ieten zijn niet alleen politieke machtsfactor geworden in een duidelijk territoriaal gebied, maar ze zijn ook nog eens buitengewoon goed georganiseerd gedragen door een klerikale hiërarchie die ergens ook weer vergelijkbaar is met de Rooms-Katholieke kerk. Dit in sterk contrast met de uiterst zwak georganiseerde soennitische islam. Verder kreeg de tegenstelling tussen soennieten en sji’ieten de afgelopen eeuwen ook een etnisch aspect door de onderlinge rivaliteit tussen het soennitische Turks-Ottomaanse Rijk en het sji’itische Perzische Safavidische Rijk. Eenzelfde rivaliteit als tussen het Byzantijnse en het Sasaniden Rijk in de ontstaansperiode van de islam.

De betere organisatiegraad van de sji’itische islam maakt het gemakkelijker voor deze stroming om te vernieuwen en te seculariseren dan het voor de soennitische islam is. Er is een duidelijke band tussen geestelijken en leken die er in de negentiende eeuw toe leidde dat het fenomeen ‘ayatollah’ zijn intrede deed en ook de huidige politieke structuur in Iran die als ‘islamitisch’ wordt beschouwd is pas in de jaren ’70 van de afgelopen eeuw bedacht. Wat de secularisering betreft maakt de krachtige aanwezigheid van een klerikale hiërarchie het denkbaar om de wereldlijke en religieuze macht van elkaar te scheiden. Overigens maakt men daar in Iran op dit moment geen gebruik van, maar bij de sji’ieten is in principe kerk en staat te scheiden. In de soennitische wereld is dit in feite niet denkbaar, omdat daarin de staat garant moet staan voor de moraliteit en de onbetwistbaarheid van de godsdienst.

Dat aspect van denkbaarheid is ook de achtergrond van de opkomst en het gedrag van ISIS. Een islamitische staat dient de moraliteit en de godsdienst te verzekeren. De wijze waarop ISIS het doen stuit veel moslims ook in het Midden-Oosten tegen de borst, maar de argumentielijn die ISIS hanteert is voor soennitische moslims slecht te weerleggen. Dat laatste betekent echter niet dat ze deze steunen.

Is er een nu in het Midden-Oosten een strijd gaande tussen soennieten en sji’ieten? Ofwel: waarom steunt Iran Syrië? We denken dan dat de alawieten, die in Syrië aan de macht zijn, door Iran als sji’itische stroming worden beschouwd, maar dat is bepaald niet het geval. De steun is geopolitiek en wordt niet door religieuze verwantschap gevoed. Dat geldt ook voor de steun van Iran aan de houthi’s in Jemen. Dat is inderdaad een sji’itische stroming, maar wordt door de Iraanse sji’ieten bepaald niet als volwaardig sji’itisch gezien. Ook hier gaat het dus niet religie, maar om geopolitiek. Religieuze verschillen worden ingezet voor politieke doeleinden.

In het Midden-Oosten, zo benadrukt De Jong, is religie een veel vanzelfsprekender onderdeel van het leven dan wij ons kunnen voorstellen. Maar het gaat daarbij om de kleine, alledaagse dingen. De meeste moslims hebben hun handen vol aan dat alledaagse en houden zich helemaal niet met theologie of wereldpolitiek bezig. Daar zijn de afgelopen jaren echter wel gevoelens van existentiële onrust bij gekomen. Kan ik nog wel mijn gang blijven gaan met mijn eigen religieuze praktijken. Dat er bendes van buiten komen die bepaalde heiligdommen kort en klein slaan is men wel gewend in het Midden-Oosten. De grote schok van de laatste jaren is echter dat mensen door hun buren worden verraden. De mensen waar ze eeuwenlang mee hebben samen geleefd. Door deze ontwikkeling heeft De Jong niet veel hoop dat dit snel voorbijgaat, maar we moeten oppassen om anderen, die hier niets mee te maken hebben, ook nog eens medeschuldig verklaren aan de misdaden van hun zogenaamde geloofsgenoten.

De verwarring in het Midden-Oosten rond religieuze identiteiten (ook die van christenen) heeft veel te maken met de vorming van de natiestaten in de afgelopen eeuw, denkt De Jong, die ervoer dat zijn Leidse collega die het christendom in het Midden-Oosten onderzoekt “dezelfde intuïtie” had.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen