donderdag 14 januari 2016

Het onthullen van een verborgen geschiedenis

Vandaag, een maand na de officiële boeklancering, presenteerde Meltem Halaceli haar boek “De vergeten geschiedenis van mijn grootvader Sulayman Hadj Ali” op een door Enschede voor Vrede georganiseerde bijeenkomst in de “Vredestuin”. Het schrijfproces heeft lang geduurd. Anderhalf jaar geleden gaf Meltem in haar geboorteplaats Hengelo al een presentatie van de kern van het boek: de vertaling van de memoires van haar grootvader die 100 jaar geleden dienst deed in het Ottomaanse leger.


Die lange tijd had ze echter nodig. Want steeds weer drong de vraag zich bij haar op of ze dit verhaal wel aan de openbaarheid wilde prijsgeven. Al het leed dat min of meer was weggestopt. Waar haar omgeving mee had leren leven. Moet je dat allemaal nu weer oprakelen. Het was een controversiële tijd waar nu, 100 jaar later, nog steeds heftige discussies over plaatsvinden. De discussie over de Armeense Genocide die hele bevolkingsgroepen thans nog steeds splijt is slechts één van de vele voorbeelden die je zou kunnen noemen. Alle bevolkingsgroepen in het Midden-Oosten hebben hun geschiedenis met het leed dat hun berokkend is en veelal ook met het leed dat ze anderen hebben aangedaan.


Een gevoelig punt was al dat de uitgever aan het boek de ondertitel “Memoires van een alawiet” meegaf. Het was niet de gewoonte in haar omgeving om nadrukkelijk als alawiet naar buiten te treden en ook haar grootvader deed dat niet in zijn memoires. Hij was het, maar vermeldt het nergens expliciet. Moet je in die lappendeken van etnische, taalkundige en religieuze bevolkingsgroepen wel zo zeer de nadruk leggen op de bevolkingsgroep waar jij toe behoort? Was Sulayman Hadj Ali niet “gewoon” een onderdaan van de Ottomaanse sultan die aan de vooravond van wat later de Eerste Wereldoorlog zou blijken te zijn opdracht kreeg om als dienstplichtig militair het Ottomaanse rijk te verdedigen tegen de geallieerde Europese legermachten?

En toen bleken er, met name ter gelegenheid van de 100-jarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog, talloze boeken over deze oorlog te verschijnen. Ook over het strijdtoneel in het Midden-Oosten waar we in West-Europa nauwelijks weet van hebben. Vaak geschreven door de overwinnaars die de gebeurtenissen beschrijven vanuit hun behoefte aan nationale rechtvaardiging. En dan blijkt dat in deze kakafonie van interpretaties het gezichtspunt van de alawitische gemeenschap niet of nauwelijks aan de orde te komen. Dat besef was voor Meltem het laatste zetje om het boek toch te voltooien en ook akkoord te gaan met de ondertitel. Het is voor haar dan ook een verhaal geworden van een minderheid waarvan het bestaan verborgen is en zonder dit boek ook zou zijn gebleven. Het is haar bij het schrijven echter duidelijk geworden dat grootvader met het optekenen van zijn memoires ook langdurig twijfelde en er eigenlijk als een berg tegenop zag, maar dat hij het uiteindelijk toch heeft gedaan omdat hij wilde dat ook zijn verhaal gehoord en gelezen zou worden. Zo werd het afschrijven en publiceren van haar boek langzaam maar zeker ook een heilige plicht voor Meltem.

Zoals het woord “memoires” al aanduidt gaat het om concrete ervaringen van haar grootvader. Schokkende ervaringen uit een oorlogsgebied met alle gewelddaden en gruwelijkheden van dien. Haar grootvader wilde zijn ervaringen vooral delen als waarschuwing hiertegen en Meltem viel daarbij ook op dat hij het, ondanks alle bloedstollende ervaringen, kon schrijven zonder wrok of veroordeling. Haar grootvader had een diep geloof waardoor hij zich de gebeurtenissen kon verzoenen. De les die hij in zijn memoires probeerde te leggen was: keer een ander de rug niet toe, maar heb compassie.

Nadat Meltem eerst veel feitenonderzoek had gedaan naar de exacte gebeurtenissen die haar grootvader had beschreven en onder welke omstandigheden deze plaatsvinden, voelde ze ook de noodzaak om iets van deze ervaringen in te kunnen voelen. Ze heeft tijdens het schrijven de afgelopen jaren dan ook veel door Turkije, langs de Syrische grens en ook in Libanon vertoefd en met mensen daar gesproken over hoe ze daar het veel recentere geweld verwerken. Flinke delen van het boek zijn dan ook Beiroet, Adana en andere steden in het Midden-Oosten tot stand gekomen, maar het boek als zodanig is geschreven in een Twentse boerderij.

Hoewel ze tijdens het schrijven vaak het gevoel had beerputten open te trekken die, aanvankelijk ook volgens haar omgeving, beter gesloten zouden moeten blijven, heeft ze, nu het resultaat er ligt, zelf het gevoel een grootvader te hebben die ze nooit gekend heeft (ze is 20 jaar na zijn dood geboren) en haar vader – die vanavond in de zaal zat – een vader terug gegeven te hebben.

Na haar inleiding kwam de vragen los en deze hadden vooral betrekking op het hoe en waarom van die verborgen alawitische gemeenschap. Meltem benadrukt dat aan het eind van de Eerste Wereldoorlog op het grondgebied van het met name door de Britten onder de voet gelopen Ottomaanse rijk nationalistische opstanden uitbreken, zowel onder de Turken als onder de Arabieren. De bevolkingsgroep waar haar grootvader toebehoorde waren de Arabische alawieten die vooral in een brede kuststreek van het huidige Syrië tot het Zuid-Turkse Adana wonen. De Turken in dat gebied wantrouwden de alawieten, niet omdat ze alawiet waren, maar omdat ze Arabier waren of in ieder geval Arabisch spraken.

Als religieuze minderheid in het latere Turkije verklaarden veel alawieten zich bij de tot stand koming van de Turkse republiek groot aanhanger van de seculiere staat die Atatürk daar wilde vestigen en een deel van hen bleek bereid te zijn om mee te gaan in de turkificering van deze seculiere maar ook nationalistische regering. Maar de prijs die ze daarvoor moesten betalen is het verdwijnen van hun eigen taal en cultuur. Meltem was vaak ontzet om te ervaren hoeveel alawieten in Turkije daadwerkelijk geloven dat zij van de oude Hettieten afstammen. Daar staat tegenover dat ze zich kan voorstellen dat deze op hun beurt haar boek niet waarderen.

Turkije is een getraumatiseerd land. De afgelopen 100 jaar heeft het land ontzettend veel klappen gehad: dat begon met het verlies van de Balkan en nog geen tien jaar later het verlies van de hele Arabische wereld. Elke kritiek van buiten, met name vanuit Europa, over de behandeling door Turkije van een bepaalde etnische, taalkundige of religieuze minderheid of een opstand van zo’n minderheid op het eigen grondgebied, wordt door de Turkse regering dan ook meteen als een bedreiging voor de territoriale integriteit van het land gezien. Daarom wordt in de Turkse politiek het woord “verraad” veelvuldig gebruikt. En dat terwijl heel veel minderheden, dat geldt in ieder geval voor de alawieten, helemaal niet zo nodig een eigen staat en een eigen vlag willen hebben. Ze willen alleen maar in een seculiere staat kunnen zijn wie ze zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen