dinsdag 28 oktober 2014

Scepsis over democratische waarde(n) Europese Unie

De verkiezingen voor het Europees Parlement van 22-25 mei jl. lieten een sterke groei zien van anti-Europese en Eurosceptische partijen. De eersten behaalden 12% van de zetels; de laatsten 9%. Daarmee is het Euro-kritische blok in het Europees Parlement sterker dan ooit. Toch bleef dit resultaat achter bij de voorspellingen en door onderlinge tegenstellingen hebben de Euro-kritische partijen zich ook niet tot een echt blok in het Europees Parlement kunnen organiseren. De gevreesde politieke aardverschuiving bleef uit. Het was echter onder dit gesternte dat het bureau Studium Generale aan de Universiteit Twente samen met de studievereniging voor onder andere “Bestuurskunde” en “European Studies” voor vanavond een bijeenkomst over “Nationalism in the EU” had georganiseerd met als centrale vraag of “het nationalisme van Le Pen, Wilders en anderen een bedreiging vormt voor de Europese gemeenschap of dat de Europese Unie stabiel genoeg is om dit opkomend nationalisme te weerstaan”.


Deze vraag werd voorgelegd aan twee voormalige Bestuurskunde-studenten aan de UT die inmiddels beiden werkzaam zijn bij het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Heleen Bakker als hoofd van de afdeling Europees Buitenlandbeleid en Tony Agotha als hoofd van de afdeling Europese Integratie.

Hoewel in het programmaboekje een andere sprekersvolgorde werd gesuggereerd, sprak Heleen Bakker als eerste omdat de opkomst van het nationalisme binnen de EU sterk samenhangt met de veranderende internationale omgeving waarbinnen de EU zelf functioneert. Toen 25 jaar geleden de Muur viel heerste groot optimisme. Er werd zelfs gesproken over het einde van de geschiedenis en de definitieve overwinning van liberalisme en democratie. Inmiddels weten we anders. Waren we toen naïef? Heleen Bakker is geneigd te zeggen van niet. De optimistische houding van toen is lange tijd bepalend geweest voor hoe we tegen de wereld om ons heen aankeken en voor de wijze waarop de EU haar buitenlandbeleid heeft vormgegeven. Het ging de EU niet om het najagen van geopolitiek eigenbelang, maar om het bevorderen van haar waarden over de EU-grenzen heen. De rule of law; rechtsstatelijkheid.

De meest geslaagde politiek in dat verband is de uitbreidingspolitiek van de EU. Door die toetreding of het perspectief erop werden en worden nieuwe (kandidaat)lidstaten gedwongen zich aan deze Europese waarden van vrijheid, democratie en rechtsstatelijkheid aan te passen. Dit toetredinsgsproces verschaft de EU grote transformatieve kracht. Als voorbeeld noemt ze Polen en Oekraïne. Oekraïne stond er 25 jaar geleden veel beter voor dan Polen, maar dat is nu omgekeerd.

Maar die transformatieve kracht geldt ook voor het Europees nabuurbeleid in de regio’s ten zuiden (Noord-Afrika en het Midden-Oosten) en in ten oosten (voormalige Sovjet-republieken in Oost-Europa en de Kaukasus) van de Europese Unie. Volgens Heleen Bakker brengt (of bracht?) het stabiliteit in deze landen en ook in onze verhouding tot deze landen. Ook hier gaat het om een transformatieproces naar de waarden van vrijheid, democratie en rechtsstatelijkheid, ook al is er voor deze landen geen toetredingsperspectief. Hoewel het optimisme hierover sterk getemperd is, leidden de associatieverdragen met de zuidelijke buurlanden tot de Arabische Lente en die met de oostelijke buurlanden een jaar geleden tot de Maidanprotesten in Oekraïne. De bevolking omarmt de Europese waarden, tegen de eigen belangen van haar machthebbers in.

Als je dit allemaal in ogenschouw neemt, dan is de Europese Unie de afgelopen 25 jaar een internationaal speler van belang geweest. Puur vanwege een effectieve buitenlandbeleid om haar waarden uit te dragen. Dat is ook het weerwoord van Heleen Bakker tegen criticasters die menen dat de EU-buitenlandpolitiek meer op het verdedigen van haar eigen belangen gericht zou moeten zijn. Die laatsten hebben op dit moment natuurlijk de wind mee, nu het Westen door Poetin geconfronteerd wordt met de terugkeer van de geopolitiek en door de waarneming dat ook andere landen zich steeds meer richten op hardpower in plaats van de softpower dat het handelsmerk van de EU is.

De nieuwe wind die op mondiaal niveau is gaan waarin vraagt volgens Heleen Bakker mischien wel om een bijstelling van het tot dusverre gevoerde buitenlandbeleid. De nieuwe Europese Commissie staat dan ook voor nieuwe uitdagingen. Nederland is voorstander van een sterker Europees buitenlandbeleid en Timmermans stelde bij zijn vertrek uit Den Haag naar Brussel “we zullen onze belangen niet kunnen blijven verdedigen als we alleen maar met onze waarden bezig zijn”.

Tony Agotha begon zijn verhaal met een anekdote van de internationale school in Brussel waar zijn dochtertje op zat toen hij bij de Nederlandse delegatie in Brussel werkzaam was. Door de leerkracht was hij uitgenodigd om over de Europese Unie te vertellen en hij vroeg de klas 12-jarigen hoeveel mensen er op de wereld woonden. “7 miljard,” was het antwoord. Toen liet hij de 21 kinderen uit de klas bij elkaar staan en vroeg hij het groepje om duidelijk te maken hoeveel van die 7 miljard mensen die zij nu symboliseerden in Europa woonden. Volgens de kinderen waren dat er 10. Hij maakte duidelijk dat dat er in werkelijkheid maar 2 van de 21 waren en dat je daar nog een derde persoon naast mocht zetten als je met Noord-Amerika het Westen wilde vertegenwoordigen. Drie kinderen uit een klas van 21 die eeuwenlang de baas over de rest hebben gespeeld. Hoe zou dat bij die anderen voelen? Spontaan kwam uit 18 kinderkeeltjes: “Nu zijn wij aan de beurt.”

De vader van Tony Agotha kwam in de jaren ’50 als Hongaars vluchteling naar Nederland. Hongarije was vernederd aan het eind van de Eerste Wereldoorlog en moest bij de Vrede van Trianon (onderdeel van Versailles) tweederde van haar grondgebied afstaan. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg ze opnieuw een pak slaag en vervolgens kreeg ze het ook nog te verduren in de Koude Oorlog. Je zou denken dat de Hongaren blij zijn nu eindelijk de waarden van vrijheid, democratie en rechtsstatelijkheid te kunnen omarmen, maar uit de populariteit van de huidige premier Viktor Orban blijkt anders.

Orban heeft zijn bevolking er met succes van overtuigd dat de tijdens zijn veranderd en dat de liberale democratie de uitdagingen van deze tijd niet aan kan. Hij bepleit een niet-liberale democratie (illiberal democray) zoals Singapore, Turkije, Rusland en China die ook hebben. Wel verkiezingen, maar geen scheiding van machten of een sterke civiele samenleving die een tegenmacht zou kunnen vormen voor de regering. Van Winston Churchill is de uitspraak bekend dat hij erkende dat de liberale democratie grote gebreken had, maar dat hij geen beter systeem kende. Het tweede deel van deze uitspraak wordt nu door Orban en de zijnen in twijfel getrokken. Misschien is de niet-liberale democratie wel beter, aldus Orban, en hij staat hierin niet alleen. Veel van de Euro-kritische partijen delen deze opvatting en hun kritiek richt zich dus niet alleen tegen de EU maar is ook een openlijke twijfel of kritiek op het probleemoplossend vermogen van de Europese liberale democratie. Misschien, zo wordt dan beweerd, heeft de EU ook een sterke leider nodig, zoals Rusland Poetin heeft. Of, net als de genoemde landen, een economie met meer staatsbemoeienis, zoals Rob de Wijk onlangs nog aanstipte.

Er zit bij de Euro-scepsis namelijk een grote paradox. Bij grensoverschrijdende problemen roepen we steeds dat de EU het moet doen. Maar tegelijkertijd willen we geen sterkere EU. In 2009 werd het Verdrag van Lissabon getekend. Volgens de Europese leiders was dit Verdrag bestand tegen alle uitdagingen waar de EU de komende tien jaar voor geplaatst zou worden en dus had de EU hiermee een grondwet waarmee het tenminste tien jaar vooruit kon. Nog datzelfde jaar brak de euro-crisis uit en het verdrag had hiervoor geen oplossing. De afgelopen vijf jaar zijn er dus nog allerlei institutionele aanpassingen gedaan en dat leidt volgens Tony Agotha tot het sterk toegenomen Euro-sceptisme en de kritiek op “ de technocraten in Brussel”.

Toen Tony Agotha nog in Twente studeerde woedde de discussie over de Dubbelstad in alle hevigheid. Het belangrijkste bezwaar van de bevolking van Hengelo en Enschede tegen het samengaan van beide steden was “die lui daar zijn anders”. Maar identiteiten zijn niet statisch. In Twente ben je Hengeloër of Enschedeër; in Nederland ben je Twent; in Europa ben je Nederlander en in de wereld Europeaan. En het is prima om trots te zijn op je eigen identiteit. Het probleem ontstaat als je anderen tot zondebok maakt. Er is vrijheid van meningsuiting en dat is een groot goed, maar zodra er leugens worden geuit dan zullen we op moeten staan en ons daartegen moeten richten, aldus de slotopmerking van Tony Agotha.

Na deze twee korte inleidingen is er gelegenheid tot vragen vanuit de zaal. De eerste vraag luidt of het niet van een beter leiderschap had getuigd als de EU de euro-crisis had voorkomen in plaats van oplossen. Feitelijk hebben de Europese leiders de crisis zelf veroorzaakt, aldus de vragensteller, door de instituties te maken zoals ze zijn. Tony Agotha is van mening dat je niet alles kunt voorpellen: de val van de Muur niet, de euro-crisis niet, de Arabische lente niet. En voor het instellen van sterkere instituties was vóór de crisis absoluut geen politiek draagvlak geweest. Heleen Bakker vult aan dat de EU wel leert van de fouten die in het verleden zijn gemaakt en het gemak waarmee in het verleden nieuwe lidstaten als Roemenië en Bulgarije tot de EU werden toegelaten is nu verdwenen. Tot grote frustratie overigens van kandidaatlidstaten op de Westelijke Balkan die, als de EU de normen van destijds had aangehouden, mogelijk al wel waren toegelaten.

Een tweede vragensteller vraagt welke maatregelen je zou kunnen nemen om de bevolking weer positiever over Europa te laten denken. Tony Agotha meent dat de EU te veel gericht is op rationaliteit om de voordelen van de Europese Unie te benoemen. Men komt met allerlei voordeeltjes die de Europese samenwerking de burger oplevert, maar men spreekt de burger dan vooral aan als consument. Dat heeft ook te maken met de ontstaansgeschiedenis van de EU als economische samenwerkingsproject. In het Verdrag van Rome dat de basis van de latere Europese Unie vormt worden Vier Vrijheden genoemd: “goederen, diensten, geld en mensen moeten vrijelijk door de EU kunnen bewegen. Vergelijk dat eens met de Vier Vrijheden van de Amerikaanse president Roosevelt: “vrijheid van meningsuiting; vrijheid van geloof, vrij zijn van behoefte en vrij zijn van angst.” In de Vier Vrijheden van de EU staat de burger als consument centraal; in die van Roosevelt de burger als burger. En “consumers satisfy; citizens sacrify”. Er mag, met andere woorden, volgens Tony Agotha, wel wat meer passie in de EU-communicatie naar haar burgers. Ter illustratie verwijst hij naar de scene “What did the Romans do for us?” uit de “Life of Brian” (waar een heleboel verbeteringen voor de burger als consument worden opgesomd, maar het bedoelde punt van de onderdrukking van de burger als burger onbenoemd blijft).

In relatie tot de toegenomen voorzichtigheid bij de uitbreiding van de Europese Unie met nieuwe lidstaten, merkt Heleen Bakker nog op dat hierbij in het verleden vrijwel uitsluitend naar de tamelijk economische Kopenhagen-criteria werd gekeken, maar dat nu ook strenger wordt gelet op criteria van rechtsstatelijkheid. Hier zit ook een probleem met reeds toegelaten EU-lidstaten. Als het om economische kwesties gaat heeft de Europese Commissie een heel arsenaal aan maatregelen die het kan nemen tegen een lidstaat dat zich niet aan de economische afspraken houdt, maar ze staat tamelijk machteloos als het, zoals in het geval van Hongarije, om het schenden van afspraken op het gebied van rechtsstatelijkheid gaat.

Dat leidt tot de vraag wie eigenlijk bepaald wat de Europese waarden zijn. Zijn die binnen de EU niet verschillend en ontwikkelen die zich ook niet? Heleen Bakker wijst op de oude EU-slogan “United in diversity” en stelt dat binnen de EU continu over de Europese waarden wordt gesproken en op welke wijze deze het beste in het gezamenlijke buitenlandbeleid uitgedragen kunnen worden. Dat leidt tot een interruptie uit de zaal waarin wordt gewezen op het feit dat inzake Mali de Fransen het initiatief tot de interventie namen en de EU pas maanden later er achteraan kwam hobbelen. En volgens de interruptiepleger is wel meer kritiek op het gezamenlijk buitenlandbeleid van de EU mogelijk, want, hoewel Tony Agotha stelt dat je allerlei ontwikkelingen niet kunt voorspellen was de huidige crisis in Oekraïne wel te voorzien geweest als een gevolg van het associatieakkoord dat de EU met Oekraïne wilde sluiten waardoor de EU te dicht bij Rusland in de buurt kwam.

Het kost Heleen Bakker moeite om te begrijpen waarom de EU inzake Oekraïne als aanstichter van het conflict gezien zou moeten worden. Het is Rusland dat nog heel ouderwets in termen van invloedsferen denkt; niet de EU. Helaas werd niet doorgevraagd wat dan precies het verschil tussen invloedsferen en het door Heleen Bakker gepropageerde Europees nabuurbeleid is dat toch ook garant moest staan voor stabiliteit binnen de landen rond de EU en in de verhouding van die landen tot de EU. In plaats daarvan stelt Studium Generale coördinator Peter Timmerman de vraag waarom, zoals afgelopen zaterdag in het artikel “De nieuwe Muur: voor of tegen Poetin” in Trouw was te lezen, EU-lidstaten als Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Bulgarije die zo onder de Sovjet-dominantie hebben geleden nu weer samenwerking met Rusland zoeken en zich lijken af te keren van de Europese Unie. Als het thema “nationalisme in de EU” is, zou dat eigenlijk de vraag van de avond hebben moeten zijn, maar volgens Tony Agotha had dit verschijnsel enkel te maken met groeipijnen en was er verder niets aan de hand.

Daar was een andere vragensteller het niet mee eens. Hij maakte zich zorgen over deze infiltratie door Rusland in de EU en vroeg zich af hoe je ervoor zou kunnen zorgen dat Poetin bij Oekraïne stopt. Tony Agotha antwoordt dat de EU wel degelijk een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid heeft, maar dat deze inderdaad,zoals Heleen Bakker al heeft uitgelegd, op softpower is gericht. Voor hardpower beschikt het Westen over de NAVO.

Een volgende vragensteller meent dat het probleem met de EU is dat het allemaal te weinig transparant is. Nu ook weer met het Transatlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP). Dat versterkt toch de houding “ze doen daar maar in Brussel” die je bij veel Europese burgers aantreft. Heleen Bakker stelt dat de Nederlandse regering het hele onderhandelingsproces graag zo transparant mogelijk heeft, maar onderhandelen over dit soort zaken waarbij zoveel belangen op het spel staan doe je nu eenmaal niet in het openbaar. Aan het eind van het proces moet overigens altijd de Tweede Kamer nog akkoord gaan met het verdrag, dus er is nog steeds sprake van democratische controle op het hele proces.

Maar ook dit antwoord roept weer een kritische vervolgvraag op, want democratie is meer dan stemrecht: het heeft ook te maken met een zekere mate van zelfbeschikking. En volgens hem zit het veel mensen niet lekker dat als je als lidstaat meer staatsbemoeienis met een bepaalde economische sector wil, Brussel dat dan tegenhoudt. Tony Agotha stelt dat dat samenhangt met de euro. Als je als groep landen één gemeenschappelijke munt wil hebben, dan zul je je economische ordeningen op elkaar moeten afstemmen en dat betekent dat je een deel van de vrijheid inlevert. Alleen een enkele man midden in de woestijn is volstrekt autonoom en soeverein in zijn doen en laten, maar hij is ook machteloos.

Een laatste vragensteller gaat hier op door. De EU werd volgens hem geboren vanuit een hang naar zekerheid bij mensen. Een zekerheid die zich tegelijkertijd vertaalde naar de sociale-zekerheidsstaat die net als de EU vanaf de jaren vijftig werd opgebouwd, maar die inmiddels ook weer wordt afgebroken. Niet alleen in de vorm van sociale voorzieningen, maar ook door de toenemende privatisering van allerlei nutsvoorzieningen. Dat gebeurt onder druk van de Europese Unie en dus stemmen veel menen nu tegen die Europese Unie. Poetin geeft zijn bevolking wel die zekerheid en misschien is dat ook de reden dat in de genoemde Midden-Europese landen Rusland aan populariteit wint boven “Brussel”. Heleen Bakker gelooft niet dat Poetin zijn burgers zekerheid biedt, want de Russische economie staat op het punt van instorten en is in ieder geval niet duurzaam. Veeleer ontleent Poetin zijn populariteit aan de nationalistische kaart die hij uitspeelt. Ook is de genoemde privatisering volgen haar niet een karaktertrek van de EU. De EU biedt haar burgers juist bescherming tegen opkomende machten als China. Tony Agotha sluit hierop aan met een terugverwijzing naar het schoolklastafereeltje waarmee hij zijn inleiding begon. Als 18 van de 21 kinderen onder leiding van de BRICS-landen zeggen “nu zijn wij aan de beurt”, kan je je als Europese en zelfs als Westerse landen maar beter verenigingen tegen deze externe dreiging dan dat je ieder voor zich probeert in de politiek-economische machtsstrijd te overleven.

Heleen Bakker komt de eer van het slotwoord toe: “Mensen die ver van de EU wonen (bijvoorbeeld in Subsahara-Afrika) dromen ervan; mensen die ernaast wonen (bijvoorbeeld in Oekraïne) willen erbij horen en mensen die erin wonen haten het”.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen