vrijdag 31 oktober 2014

Kamervragen met het oog op genocideherdenking volgend jaar

Vandaag hebben de buitenlandwoordvoerders van vijf verschillende Tweede Kamerfracties vervolgvragen naar aanleiding van “de demonstratie die op 1 juni plaatsvond op het Rembrandtveld in Almelo tegen de plaatsing van het herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op het privé terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo”. De Tweede Kamerleden Omtzigt (CDA), Voordewind (ChristenUnie), Van der Staaij (SGP), De Roon (PVV) en Van Bommel (SP) hadden op 11 juni 2014 al 18 schriftelijke vragen gesteld over deze demonstratie en vooral over de rol die de Turkse overheid daar onder andere via de met Diyanet (het Turkse ministerie van godsdienstzaken) verbonden moskeeën bij speelde.


Deze schriftelijke vragen werden twee maanden later, op 10 september, door de regering beantwoord. In deze beantwoording stelt de regering vrij zuinigjes met betrekking tot de Turkse overheid:
Nederland heeft de Turkse autoriteiten erop gewezen dat de kwestie van de Armeense genocide gevoelig ligt en Turkije opgeroepen verantwoordelijk om te gaan met deze situatie.”
en
Het kabinet is van mening dat de gebruikte leuzen tijdens de demonstratie in Almelo niet bijdragen aan een oplossing van deze kwestie.”

Feitelijk stelt de regering zich hier ook op het eerder door ons gewraakte standpunt dat de vrijheid van meningsuiting hier boven alles gaat. Kool en geit worden gespaard.

Hiermee waren de vragenstellers vanzelfsprekend niet tevreden en een setje van 17 vervolgvragen is het resultaat, waarin alvast vooruitgelopen wordt op de genocideherdenking op 24 april komend jaar waarin de start van de Armeense genocide precies 100 jaar eerder plaatsvond maar ook de positie van de Nederlandse regering met betrekking tot deze genocide wordt bevraagd.

Na een aantal vragen ter verduidelijking van de gegeven antwoorden, luiden de toekomstgerichte vragen als volgt:
7. Bent u bereid de Turkse regering over te brengen dat de vastgestelde interventies van Turkse overheidorganisaties bij de demonstratie van 1 juni onwenselijk zijn?
8. Deelt u de mening dat speciaal onderzoek over deze episode een nuttige aanvulling is op het verrichte onderzoek inzake de parallelle gemeenschappen, daar het hier een zeer concreet en representatief voorbeeld betreft, waar uit voor Nederland lessen te leren zouden kunnen zijn (en omdat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 25 september over parallelle gemeenschappen aangaf dat enkel literatuuronderzoek een onvoldoende duidelijk beeld geeft) ?
9. Deelt u de mening dat de herdenking van100 jaar Armeense genocide (die ook de Syrisch-Orthodoxen en Pontische Grieken in het Ottomaanse rijk trof) ongestoord en waardig moet kunnen plaatsvinden in Nederland?
10. Op welke wijze zult u, gelet op de tot nu toe geslaagde acties vanuit Turkije, garanderen dat de Turkse overheid geen verdere invloed doet gelden op de wijze waarop in Nederland komend jaar de 100 jaar herdenking van Armeense genocide wordt herdacht?
11. Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver steeds afzijdig met betrekking tot de discriminatie en genocideontkenning ten aanzien van Armeniërs, terwijl in andere gevallen met name door de minister voor Integratiezaken, maar ook door andere bewindspersonen, terecht en direct stelling wordt genomen zodra dergelijke zaken zich in Nederland voordoen?12. Waarom is vervolgens ook op de brief van de Federatie Armeense Organisaties in Nederland (FAON) aan de Tweede Kamer d.d. 23 juni, waarin duidelijk staat aangegeven dat de Armeense gemeenschap een afkeurende reactie van de regering op de gebeurtenissen van 1 juni sterk heeft gemist en deze alsnog vraagt, nog niet gereageerd, hoewel de regering hierop vanuit de Tweede Kamer een reactie is gevraagd? Kunt u zo spoedig mogelijk een reactie op die brief geven?
13. Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver afzijdig bij de herdenking van de Armeense genocide, terwijl ze altijd terecht en consequent aanwezig is bij herdenkingen zoals van de Holocaust en de Rwandese genocide en ook van andere aangelegen gebeurtenissen in de geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen in Nederland.?
14. Is de Nederlandse regering bereid tot een gelijkwaardige opstelling te komen ten aanzien van bevolkingsgroepen en ten aanzien van deze drie grote genocides, die aan het NIOD worden gedoceerd?
15. Kan de regering garanderen dat ze zich niet afzijdig zal houden bij de herdenking van 100 jaar Armeense genocide, die de Armeense gemeenschap in Nederland het komend jaar organiseert en zoals die in Armenië en wereldwijd worden gehouden? Bent u bereid de herdenking van 100 jaar Armeense genocide in Nederland en/of Armenië bij te wonen? Zo nee, waarom niet?
Een vraag die overigens ook nog wel gesteld had mogen worden naar aanleiding van de boven aangehaalde antwoorden van de regering is wat volgens de regering wèl "een oplossing van deze kwestie" had kunnen zijn en wat in haar ogen wèl een "verantwoordelijke omgang" is.

De twee resterende vragen gingen over procedures en termijnen.














Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen