donderdag 8 december 2016

De kracht van de Nobelprijs voor de Vrede

Vanavond vond de derde door Enschede voor Vrede georganiseerde Vredestuinbijeenkomst van dit najaar plaats. Na de discussie met generaal-majoor Martin Wijnen onder welke omstandigheden oorlog nu wel of überhaupt geen oplossing was en de bijeenkomst met Europarlementariër Annemarie Mineur of de twee dagen vóór die bijeenkomst tot president van de VS verkozen Donald Trump nu wel of geen streep door het omstreden vrijhandelsverdrag TTIP zou halen was deze derde bijeenkomst eigenlijk wel een mooie afsluitende verbinding.


Het ging namelijk over Colombia en de Nobelprijs voor de Vrede die over twee dagen uitgereikt zal worden aan de Colombiaanse president Juan Manuel Santos. Inleidster was Yosé Höhne-Sparborth, in Enschede vooral bekend vanwege haar veelvuldige bezoeken aan Irak (voor het komend halfjaar staan er ook alweer twee gepland), maar eigenlijk al veel langer (zo’n 22 jaar) een regelmatig bezoeker van diverse Latijns-Amerikaanse landen waar ze jaarlijks één of twee maanden met lokale basisgroepen samenwerkt aan traumaverwerking bij slachtoffers van onderdrukking en geweld. Zo komt ze al zeven jaar regelmatig in Colombia en krijgt uit de eerste hand informatie van de slachtoffers van de daar heersende situatie van onrecht en oorlog en van de mensen die met deze slachtoffers werken. Informatie die ze vanavond op indringende wijze met de aanwezigen wist te delen.


Het vredesproces met de FARC is belangrijk, zo kreeg ze van haar bronnen te horen, maar dan niet in de eerste plaats omdat het geweld van de FARC het grootste probleem van de Colombiaanse bevolking was, maar omdat de strijd die de regering met de regering moest voeren de Colombiaanse politiek beheerste en aldoor een excuus was om de veel grotere problemen aan te pakken waarmee het land of in ieder geval haar bevolking mee te kampen had. En die problemen zijn de volstrekte rechteloosheid van het overgrote, tot bittere armoede gebrachte deel van de bevolking dat de afgelopen decennia met ware “invasies” van miljoenen het door hun bewerkte platteland moesten ontvluchten en naar de steden moest trekken waar zich nog dagelijks nauwelijks leefbare voorsteden vormen. Van het platteland worden ze verdreven door de puissant-rijke grootgrondbezitters die daar liever goede zaken doen met multinationale ondernemingen dan zich te verantwoordelijk te weten voor hun mede-Colombianen; in de grote steden vallen ze ten prooi aan de oppermachtige drugskartels die onderling ware oorlogen uitvechten waarbij natuurlijk vooral weer onschuldige burgerslachtoffers vallen.

Deze misstanden die het openbare leven in Colombia al vele decennia bepalen, leidden ook al weer enkele decennia geleden tot de oprichting van de FARC die als linkse verzetsgroep tegen de Colombiaanse regering en de bezittende klasse is begonnen, maar ook al snel in de valkuil trapte haar machtsmiddelen aan te wenden om via criminele activiteiten zoals drugshandel, afpersing en ontvoeringen om zichzelf van financiële middelen te voorzien en om haar politieke eisen kracht bij te zetten. Onder de armste lagen van de Colombiaanse bevolking is zonder meer sympathie voor de politieke doelstellingen van de FARC, maar niet voor haar handelwijze.

De huidige president Santos was onder zijn voorganger Uribe minister van oorlog en stond toen een harde militaire aanpak van de FARC voor. Hij heeft ze toen ook flink weten te verzwakken en dit militaire succes zal zeker geholpen hebben bij zijn presidentsverkiezing in 2010 en tot het bereiken van het vredesakkoord met de FARC afgelopen zomer.


Dat akkoord werd op 2 oktober jl. (omdat dat de geboortedag van Gandhi was, door de VN uitgeroepen tot Internationale Dag van Geweldloosheid) per referendum voorgelegd aan de Colombiaanse bevolking en … afgewezen. Met een nipte meerderheid van 50,2% bij een opkomst van 37,4%. Yosé Höhne-Sparborth, die op maandag 3 oktober in Colombia arriveerde, herinnert het zich nog: de bevolking was terneergeslagen en de gevierde president Santos was politiek dood.

En toen maakte het Noorse Nobelcomité aan het eind van die week, op vrijdag 7 oktober, bekend dat de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar aan Juan Manuel Santos zou worden toegekend voor zijn inspanningen voor het vredesakkoord met de FARC. Dat blies nieuw leven in de president, maar ook in de Colombiaanse bevolking. De dagen na deze toekenning werden in het hele land vredesdemonstraties georganiseerd om steun uit te spreken aan een nieuwe onderhandelingsronde. Op woensdag 12 oktober vond een massale demonstratie in de hoofdstad Bogotá plaats.

Geruggesteund door de Nobelprijs en de demonstraties van de bevolking wist Santos er een nieuw akkoord bij de FARC uit te slepen dat nog steeds op een verzoenings- en reïntegratieproces was gebaseerd, maar waarin nu ook een schadevergoedingsregeling was opgenomen waarmee tegemoet werd gekomen aan een feitelijk bezwaar van de rechtse oppositie geleid door oud-president Uribe. Andere bezwaren van de rechtse oppositie waren pure bangmakerij als zouden communisten en homoseksuelen (Santos had zich in dit Latijns-Amerikaanse land uitgesproken voor de openstelling van het huwelijk voor mensen van gelijk geslacht) de macht in Colombia overnemen. Veel ultra-conservatieve naar bijvoorbeeld Spanje uitgeweken Colombianen waren tijdens de referendumcampagne naar Colombia afgereisd om campagne te voeren tegen het vredesakkoord en in de grote, door de eigenlijke slachtoffers van het geweld bewoond stadswijken waren geen stembureaus zodat ze vaak uren moesten reizen om hun stem uit te kunnen brengen als ze al bij de gemeente als kiezer geregistreerd stonden.


Het vredesakkoord, dat misschien wel dankzij het militaire optreden van Santos tot stand was gekomen, is door de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede gered. Dit keer had de uitreiking dus een zeer bepalende invloed. Daarmee zijn de problemen in Colombia echter nog niet opgelost, zo benadrukt Yosé Höhne-Sparborth. Het positieve is dat de strijd tegen de FARC nu niet langer door de Colombiaanse regering als voorwendsel gebruikt kan worden om de andere problemen maar voort te laten bestaan. Vooral de macht van de grootgrondbezitters en de multinationale ondernemingen die ongebreideld hun gang kunnen gaan in de grondstoffenrijke en vruchtbare land. En daarmee zijn we eigenlijk ook aangeland bij de vraag wat Trumps kennelijke aversie tegen vrijhandelsverdragen als TTIP voor de reeds bestaande en desastreuze vrijhandelsverdragen tussen Noord- en Zuid-Amerika zal betekenen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen