zaterdag 1 oktober 2016

De Verborgen Parel, Aramees erfgoed in Twente

Vanmiddag werd in de Hengelose Openbare Bibliotheek in aanwezigheid van burgemeester Sander Schelberg, de tentoonstelling “De Verborgen Parel – Aramees erfgoed” geopend. Anderhalf jaar geleden, toen in de Openbare Bibliotheken van Enschede en Almelo tentoonstellingen werden geopend over de toen 100 jaar eerder in 1915 plaatsgevonden hebbende genocide op Armeniërs en Arameeërs in het Ottomaanse Rijk, weigerde de Openbare Bibliotheek van Hengelo haar medewerking omdat dat te gevoelig zou liggen. Maar een algemenere tentoonstelling over het Aramese erfgoed waarbij de vernietiging ervan en de daders al helemaal onbesproken bleven kon kennelijk net wel door de beugel.


Anne Turan opende de bijeenkomst. Geboren en getogen in Hengelo kreeg ze als kind toch regelmatig de vraag gesteld “waar kom jij vandaan?” Waar anderen – Turken, Marokkanen – alleen maar een land hoeven te noemen, is het antwoord van Arameeërs meestal iets ingewikkelder. Maar het wordt met des te meer trots gegeven.


Johny Messo, voorzitter van de World Council of Arameans (WCA), sloot zich hierbij aan. Ook hij is in Hengelo geboren en getogen maar omdat Arameeërs in tegenstelling tot veel andere volkeren geen eigen staat hebben, kunnen mensen zich ook geen voorstelling maken van de herkomst van Arameeërs en is dat dus een blanco pagina die zich nog vrijelijk laat invullen. 


Toch laten de verschillende namen waaronder de Arameeërs in Nederland bekend zijn, zien dat het ook lastig is om geen eigen land van herkomst te hebben. Toen de eersten in de jaren ’70 aankwamen werden ze “Christen-Turken” genoemd; het waren immers christenen uit Turkije, maar etnisch zijn Arameeërs geen Turken. Vervolgens kwam de naam “Syrisch-Orthodoxen” in zwang, maar hoewel de meeste Arameeërs in Nederland Syrisch-Orthodox zijn (en de meeste Syrisch-Orthodoxen in Nederland Arameeër) behoren de meeste Arameeërs in het Midden-Oosten tot andere kerkgenootschappen en is de Syrisch-Orthodoxe kerk in het uiterste zuiden van India groter dan die in het Midden-Oosten bevinden zich onder de kerkgangers daar geen Arameeërs. Het is een zendingskerk daterend uit de eerste eeuwen van het christendom.

De namen “Syriër” of “Suryoye” komen al dichter in de buurt. “Suryoye” is de benaming die de Arameeërs zichzelf geven in het Aramees en welbeschouwd betekent dat “Syriër” maar sinds de stichting van de Arabische Republiek Syrië is deze naam verwarrend omdat de meeste inwoners van die republiek geen “Syriër” in de oorspronkelijke etnische zin zijn, maar Arabier. En “Suryoye” is geen Nederlands woord. Daarom wordt door de Arameeërs gehecht aan de Nederlandse aanduiding “Arameeër” die in bijbel en ook in oude Aramese geschriften als synoniem voor “Syriër” geldt. Ten tijde van het Oude Testament worden Aramese stammen en koninkrijkjes genoemd in wat nu Syrië, Zuidoost-Turkije en Irak heet.

De Arameeërs hebben dan wel geen land, ze hebben wel een gemeenschappelijke herkomst, herkomstregio, een gemeenschappelijke taal, cultuur en godsdienst en een gedeelde herinnering, namelijk de Sayfo (de Aramese aanduiding voor de genocide van 1915) en de diaspora. De meeste Arameeërs leven al niet meer in het Midden-Oosten maar hebben zich over de rest van de wereld verspreid. Het gebied in het noordoosten van Syrië, het noorden van Irak en het Zuidoosten van Turkije wordt in rap tempo gekoerdificeerd, aldus Messo.


Vervolgens was het de beurt van Isa Kahraman, fractievoorzitter van het CDA in Rijssen, om over de positie van de Arameeërs in hun nieuwe woongebied, Twente, te spreken. In tegenstelling tot zijn beide voorgangers is Kahraman wel in het zuidoosten van Turkije geboren en kwam in 1982 met zijn ouders naar Nederland. In de loop van de jaren ’70 en ’80 kozen steeds meer Aramese families voor een veilig heenkomen buiten hun woongebied in het zuidoosten van Turkije waar ze tussen de twee vuren van de Koerdische PKK en het Turkse regeringsleger zaten. Toen de eerste groep Arameeërs zich enigszins gesetteld had en de vluchtelingenstroom vanuit het zuidoosten van Turkije was opgedroogd, kwam na de Amerikaans-Britse invasie in Irak in 2003 de vluchtelingenstroom van Arameeërs uit Irak op gang en sinds 2011 is daar een vluchtelingenstroom vanuit Syrië bij gekomen.

Onder de dictaturen van Saddam Hoessein of Assad hadden Arameeërs betrekkelijk weinig te vrezen omdat ze als (kleine) groep geen bedreiging voor de machthebbers vormden. Maar dat is nu wel anders. In het huidige Irak en Syrië (maar ook in het huidige Turkije) kun je maar beter niet anders dan de anderen zijn: geen andere taal, godsdienst of cultuur.

Kahraman schat het aantal Arameeërs in Twente op een 25.000. Dat blijft een schatting, omdat ze in de Gemeentelijke Basis-Administratie niet als Arameeër geregistreerd zijn, maar als Turk, Irakees of Syriër. Twente is één van de belangrijkste woongebieden van Arameeërs in Europa, daarnaast zijn inmiddels grote gemeenschappen ontstaan in Zweden, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Kahraman heeft familieleden in heel Europa en dat geldt voor de meeste Aramese families. Daarmee zou je kunnen zeggen dat Arameeërs Europeanen pur sang zijn. In al die Europese landen vormen de Arameeërs, volgens Kahraman, hechte gemeenschappen van mensen die volop deelnemen aan het leven van de hen omringende samenleving.

In de diaspora ziet Kahraman echter belangrijke uitdagingen. De belangrijkste is het behoud van de eigen taal en cultuur in de samenleving waar men thans deel van uitmaakt. Met zijn kinderen spreekt Kahraman Nederlands en op zijn werk voornamelijk Engels. De taal van zijn ouders en grootouders is bij hem naar de derde plaats verdreven en hoe zal bij de volgende generaties gaan. Het Aramees is de taal van Jezus en er is geen land waar de taal als nationale taal wordt geaccepteerd, onderwezen en gebruikt. Hij hoopt dat de kinderen van volgende generaties zullen blijven leren waar ze vandaan komen en in die zin is de vanmiddag te openen tentoonstelling niet alleen informatief voor de niet-Aramese Hengelose bevolking, maar ook voor de Arameeërs zelf.

Of het een teken aan de wand mag zijn voor de moeite die de Aramese gemeenschap heeft om de eigen taal en cultuur in stand te houden en door te geven werd me niet duidelijk, maar de muzikale intermezzo’s deze middag werden verzorgd door zanger Annas Habib die niet van Aramese maar van Marokkaanse afkomst is. Hij, zo werd verteld, heeft zich van jongsaf echter al geïnteresseerd in de oude traditionele Aramese muziek en zong vanmiddag onder andere het Onze Vader in het Aramees.


Na dit intermezzo was het woord aan dr. Jan van Ginkel, onderzoeker en docent Aramese Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Leiden. Na het muzikale werd dus ook het talige aspect van de verborgen parel voor het voetlicht gebracht door een niet-Arameeër.


Misschien wel door zijn niet-Aramese herkomst begon Van Ginkel zijn verhaal over de geschiedenis van het Aramees met een vergelijking met de geschiedenis van het Nederlands. Het oudste bewaard gebleven Nederlandstalige zinnetje is het welbekende "Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu" uit de 11de eeuw. Dat is dus 1000 jaar geleden en voor de meeste Nederlanders zonder hulp nauwelijks te begrijpen.


Het oudste Aramees is geen 1000 maar 3000 jaar oud en is dus feitelijk nog verder verwijderd van het hedendaagse Aramees. Zoals zowel het zinnetje “Hebban olla uogala” als het hedendaagse Nederlands allebei “Nederlands” zijn, is het oud-Aramees van 3000 jaar geleden en het hedendaagse Aramees met alles wat daartussen heeft gezeten “Aramees”, maar we moeten niet doen alsof het allemaal hetzelfde is. Ook een oud-Arameeër van 3000 jaar geleden en een hedendaagse Arameeërs zullen de grootste moeite hebben elkaars Aramees te kunnen begrijpen. Taal verandert in de tijd en nog betrekkelijk snel ook.

De ontwikkeling van het Aramees laat zich volgens Van Ginkel in een aantal tijdvakken schetsen. Het eerste is dat van het oud-Aramees van 3000 jaar geleden toen in de door Johny Messo reeds geschetste regio van het huidige Syrië, Irak en Zuidoost-Turkije een aantal Aramese koninkrijkjes lagen waar Aramees werd gesproken. Of liever: waar verschillende Aramese dialecten werden gesproken. Op stenen overblijfselen zijn inscripties gevonden van die dialecten opgetekend in een eerste alfabet dat zich later tot het huidige Aramese schrift zou ontwikkelen. Er was echter geen sprake van een eenheidstaal, maar van een aantal zeer verwante talen en mensen konden elkaar vermoedelijk wel zo’n beetje verstaan.

In de loop van het laatste millennium voor het begin van onze jaartelling – dus van 3000 tot 2000 jaar geleden – ontstonden in de genoemde regio het Neo-Assyrische en het Perzische rijk. De heersers over deze rijken hadden veel uiteenlopende volkeren met hun eigen talen, religies en culturen aan zich onderworpen en zaten met het probleem van een bestuurstaal. Daartoe werd het Aramees uitverkoren. Enerzijds omdat het al in een flink deel van het rijk gesproken werd en een zekere verwantschap met andere talen had, anderzijds omdat het over een alfabet beschikte. De Neo-Assyrische en Perzische heersers creëerden uit de vele Aramese dialecten een officiële, eenvormige Aramese bestuurderstaal. Een soort lingua franca zoals het Engels in de huidige wereld. In hun dorpen en steden bleven de mensen hun eigen taal gebruiken (en in de door Arameeërs bewoonde regio’s hun verschillende Aramese dialecten), maar wie hogerop wilde in het leger of het staatsbestuur, die moest het officiële Aramees leren spreken. Het Aramees was in deze tijd bestuurstaal in een regio van Egypte tot en met Kashmir.


Het Perzische rijk werd rond 300 voor onze jaartelling veroverd door Alexander de Grote en gaandeweg werd het Aramees als bestuurstaal vervangen door het Grieks. Deze nieuwe bestuurstaal, die zich in het Midden-Oosten ook onder de Romeinen zou handhaven, stond verder van de inheemse talen af en zo bleef ook het Aramees een rol vervullen als breed-verspreide omgangstaal, maar er was nu geen staatsbestel meer die de verdere ontwikkeling van de taal en het onderwijs hierin bepaalde. Het gestandaardiseerde Aramees verdween dus en maakte plaats voor nieuwe varianten, waaronder het West of Nabatheïsche Aramees en het Oost- of Palmyraanse Aramees (genoemd naar twee koninkrijkjes tussen het latere Romeinse en Perzische rijk waar beide vormen van het Aramees de officiële taal waren).

De volgende fase in de ontwikkeling van het Aramees vond plaats vanuit Edessa, het huidige Urfa. Ook dat was een klein Aramees koninkrijkje op de grens van het Romeinse en het Perzische rijk en hier kreeg het christendom al snel voet aan de grond. De bijbel werd hier vanuit het Hebreeuws, diverse Aramese dialecten en het Grieks in het in Edessa gesproken Aramees vertaald (de zgn. Peshitta-vertaling) en van hieruit vond de christelijke zending in het Midden-Oosten maar ook naar grote delen van Azië plaats tot ver in China en het eerder genoemde uiterste zuiden van India toe. In dit enorme missie-gebied (Europa was in die tijd nog maar nauwelijks gekerstend; in ieder geval niet buiten de voormalige grenzen van het Romeinse Rijk) was het Aramees van Edessa de gemeenschappelijke kerkelijke taal zoals het Latijn dat in de Middeleeuwen in Europa zou zijn. De taal van de kerk, maar ook die van de wetenschap en de cultuur. De kennisoverdracht van de Grieken naar de Arabieren vond plaats via dit Aramees en binnen de verschillende niet-Griekstalige kerken in het Midden-Oosten is dit nog steeds de gezamenlijke taal en het Aramees heeft via de zendingsactiviteiten ook het Mongools krachtig beïnvloed.


Want waar het dialect van Edessa net als het Nederlands van de Statenvertaling was gestandaardiseerd en vastgelegd, bleef het Aramees van de omgangstaal even divers en in ontwikkeling. De Aramese bevolking in het Midden-Oosten begreep het kerkelijke Aramees wel, maar sprak thuis en met de buren het eigen dialect dat zich tot het modern Aramees ontwikkelde dat zich volgens Van Ginkel in drie hoofdstromen manifesteert: het West-Aramees dat nog in een paar kleine enclaves in het westen van Syrië wordt gesproken (onder andere in Maaloula); het Centraal-Aramees in Tur Abdin in Zuidoost-Turkije dat door de meeste Aramese migranten in Europa wordt gesproken en het Oost-Aramees dat in Irak en Iran wordt gesproken. Dat Oost-Aramees in Irak was overigens daar niet alleen de taal van de (christelijke) Arameeërs, maar werd ook gesproken door de in Irak levende joodse gemeenschappen en de Mandeeërs in het uiterste zuiden van Irak.

De moderne Aramese talen en dialecten verkeren op dit moment echter zwaar in de gevarenzone. De meeste sprekers vertrekken uit het land van herkomst en zullen, zoals Isa Kahraman al vreesde, het Aramees uiteindelijk niet meer met elkaar spreken. De achterblijvers zullen dat ook niet meer doen, want, zoals ook al eerder betoogd, in het huidige Syrië, Irak en Turkije is steeds minder ruimte voor mensen met een afwijkende taal, religie en cultuur. Het Aramees dreigt zo uitsluitend te overleven als kerktaal, zoals het Latijn ook nog levend wordt gehouden door de Rooms-Katholieke geestelijkheid.

Tenzij jongere generaties hun best doen om de taal te blijven leren, maar ook te blijven spreken. Een taal is namelijk een levend iets dat alleen overleeft in het daadwerkelijk gebruik. Wat dat betreft is Van Ginkel toch nog hoopvol gestemd. Bij Europese jongerenbijeenkomsten voor Arameeërs spreken de jongeren uit met name Zweden, Nederland en Duitsland Aramees met elkaar omdat dat de gemeenschappelijke taal is. Van Ginkel ontdekte daarbij echter dat er sprake is van een Zweeds-Aramees, een Nederlands-Aramees en een Duits-Aramees. Bewijzen dat deze talen beïnvloed worden door de omgevingstaal en die beïnvloeding kan alleen plaatsvinden door daadwerkelijk gebruik. Het is dus een goed teken dat er weer nieuwe dialecten ontstaan in het Aramees en Van Ginkel roept de aanwezige jongeren op om niet de taal van hun grootouders te blijven spreken maar hun eigen Aramees te gebruiken en in ontwikkeling te houden.


Vervolgens viel burgemeester Spelberg de eer ten beurt de tentoonstelling “De Verborgen Parel” samen met WCA-voorzitter Johny Messo te mogen openen.


De tentoonstelling bevatte een hoop fotomateriaal van Aramees erfgoed in het Midden-Oosten …


… maar er was toch ook een hoekje ingericht met foto’s van de genocide …


… waarbij een banner aan duidelijkheid niets te wensen overliet.


Temidden van het fotomateriaal …


… stond een schilderij van Atto Aydin dat door de burgemeester onthuld mocht worden.


De burgervader roemde in zijn slotwoordje de integratiegraad van de Arameeërs in Hengelo en zocht hiertoe als verklaring de genocide van 1915 en de vlucht naar Europa enkele decennia daarna die de Arameeërs als het ware in de genen is gaan zitten: een allesbepalende overlevingsdrang.



En natuurlijk ontbrak de Aramese vlag niet.


Opmerkelijk was echter dat bij de buren van de Openbare Bibliotheek Hengelo, het Rabotheater, een opgerolde Armeense vlag naast de deur stond. Opmerkelijk, omdat bij de eerdergenoemde tentoonstellingen in Enschede en Almelo Armeense en Aramese organisaties nog hadden samengewerkt.


De Armeense vlag bij de buren had echter niets te maken met de tentoonstelling in de Openbare Bibliotheek, maar alles met een gezamenlijk optreden van de Armeense zangeres Sibil en de Armeense alternatieve rock band uit Londen, The Beautified Project.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen