donderdag 13 oktober 2016

Militaire ervaring: oorlog is geen oplossing

Op 11 mei jl. vond op het Van Heekplein in Enschede één van de decentrale Landmachtdagen plaats waar vooral jeugdige Enschedeërs kennis konden maken met nieuwste rijdend en rollend materieel van de Landmacht. Enschede voor Vrede ontrolde bij deze Landmachtshow het spandoek “Oorlog is geen Oplossing”. Bij dat spandoek ontspon zich al snel een gesprek tussen militairen en vredesactivisten en de afspraak werd gemaakt om dat gesprek na de zomer een keer voort te zetten.


En vanavond was het zover. Plaatsvervangend commandant der strijdkrachten, generaal majoor Martin Wijnen was de hoofdgast op een reguliere Vredestuin-bijeenkomst van Enschede voor Vrede in de Wintertuin van De Wonne. Net als tijdens het gesprek op de Landmachtdag (waarover hij terloops nog even opmerkte dat Defensie had besloten deze in de binnensteden te organiseren omdat bij de eerdere op Defensie-complexen georganiseerde Landmachtdagen toch enkel steeds dezelfde mensen kwamen) stelde hij ook nu het, juist als ervaringsdeskundige, roerend met de stelling eens te zijn dat oorlog geen oplossing is.



Die ervaring van Wijnen is gebaseerd op een al lange diensttijd bij Defensie. In 1989 studeerde hij af aan de Koninklijke Militaire Academie. Op dat moment stond de Muur er nog en zaten we nog in de Koude Oorlog. Het Nederlandse leger was geheel ingericht op haar eerste hoofdtaak: de verdediging van het Nederlandse en bondgenootschappelijke grondgebied. Een groot contingent van het Nederlandse leger zat als vooruitgeschoven post in de Noordduitse Laagvlakte met een basis in Seedorf. Daar heeft Wijnen zelf ook nog gelegerd gezeten.

Al snel verschoven de activiteiten van het leger naar de tweede hoofdtaak, de handhaving van de internationale rechtsorde. Het tijdperk van de vredesoperaties brak aan en in 1992 zat Wijnen in Cambodja waar een gruwelijk oorlog net tot een einde was gekomen, maar de zo mogelijk nog gruwelijker nasleep ervan nog aan de orde van de dag was: landmijnen die verscholen onder het gras lagen te wachten op de zich weer veilig wanende en naar huis terugkerende burgerbevolking om deze van het leven of van enkele ledematen te beroven. Als hij er nog niet van overtuigd was geweest hoe gruwelijk de oorlog was, dan zouden de ervaringen in Cambodja hem dat wel duidelijk gemaakt hebben. Wijnen merkt hier nog bij op dat zijn dochter volgend jaar 18 wordt en dan een vrijwilligersjaar in Cambodja gaat doen. In precies hetzelfde gebied als waar haar vader dan 25 jaar geleden heeft gediend. En waar dus nog steeds internationale assistentie nodig is. Oorlog is beslist niet iets heilzaams, aldus Wijnen.

Op dit moment is Wijnen commandant van het operationeel centrum in Havelte en onder andere betrokken die Nederland aan de Koerdische peshmerga’s in Noord-Irak geeft om bijvoorbeeld binnenkort de miljoenenstad Mosul te veroveren op ISIS. Zo’n miljoenenstad en ook een terroristische organisatie als ISIS brengen Wijnen tot het benoemen van de derde hoofdtaak van Defensie die de laatste jaren, juist ook met het oog op terreurbestrijding, steeds belangrijker is geworden, namelijk de ondersteuning van politie en justitie in eigen land.

De activiteiten van de krijgsmachtonderdelen worden sterk bepaald door wat er gaande is in de wereld. Wijnen laat een afbeelding zien dat afkomstig is van het ministerie van Buitenlandse Zaken en waar “strengthening diplomacy” boven staat. In vroeger tijden werd diplomatie wel gezien als alternatief voor oorlogvoering en zou een doelstelling als het versterken van de diplomatie gezien kunnen worden als een streven om de inzet van militairen te voorkomen, maar Wijnen benadrukt juist aan de hand van dit plaatje dat de krijgsmacht door de regering wordt ingezet op aangeven van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Met andere woorden: Buitenlandse Zaken neemt het initiatief om de krijgsmacht ergens in te zetten, niet het ministerie van Defensie of de krijgsmacht zelf.


En wat is er volgens het schema van Buitenlandse Zaken dan gaande in de wereld? Wijnen stipt ze even aan: bootvluchtelingen vanuit Noord-Afrika, de verschrikkingen bij de pogingen om Aleppo en Mosul te veroveren en het optreden van Poetin. Enkele jaren geleden was Wijnen gestationeerd in Estland en heeft gemerkt hoe zeer de angst daar leeft jegens het grote buurland. Juist ook voor cyberaanvallen waar Estland enkele jaren geleden al eens slachtoffer van is geweest en waarvan de dader in Rusland wordt gezocht.

Rond de Europese Unie ligt als het ware een “Ring van Instabiliteit” en Wijnen verwijst naar de publicatie “De kracht van het paradijs” waarin de links-liberaal Jonathan Holslag stelt dat het zo goed gaat in Europa en zo slecht in de regio’s eromheen dat Europa vanuit die regio’s eromheen wordt belaagd. Waarom het hier zo goed gaat en waarom zo slecht in de regio’s rond Europa en of daar misschien een verband tussen zit die door Defensie mede in stand wordt gehouden vermeldt Wijnen niet.

In plaats daarvan illustreert hij het verschil met het voorbeeld van 11 mei: vredesactivisten kunnen in dit land demonstreren tegen een Landmachtshow op het marktplein in hun stad. Dat hoef je in de regio rondom Europa niet te proberen. En niet alleen onze burgerlijke vrijheden, maar ook onze welvaart hebben we te danken aan de militaire verdediging, stelt Wijnen, want er is niets zo schadelijk voor de welvaart als een (geweld)dadig conflict.

Onze (militaire) veiligheid is echter minder veiliggesteld dan op het eerste gezicht lijkt, aldus Wijnen. Er is sprake van een dreiging die zich aan het oog onttrekt en die bestaat uit hybride oorlogsvoering. Deze wordt name aan de oostflank van Europa gevoerd. Het gaat hier om een oorlog waarin je zes fasen zou kunnen onderscheiden waarvan de zesde pas gewelddadig is: spionage, sabotage, diefstal, schendingen van de computerveiligheidssystemen, (h)acktivisme, subversieve internet activiteiten en tenslotte cyberoorlogvoering.


Er zijn zeven strategische functies van de krijgsmacht te onderscheiden: anticiperen, voorkomen, afschrikken, verdedigen, interveniëren, stabiliseren en normaliseren. Eén of meer van deze functies staan steeds centraal in één van de zeven missies waarin de Landmacht (dus nog even los van de Luchtmacht of de Marine) is betrokken. Het gaat dan om grotere en kleinere missies in:

· Curaçao (landsverdediging)
· Mali (inlichtingenwerk en stabilisatie)
· Koeweit / Irak (ondersteuning lokale veiligheidsmachten in strijd tegen ISIS)
· Afghanistan (stabilistatie en training)
· NAVO Litouwen (afschrikken en verdedigen)
· NAVO Response force (afschrikken)
· EU Battle Groups (afschrikken en anticiperen)

Tot slot geeft Wijnen nog aan dat bij de overgang van de Koude Oorlog naar het tijdperk van de vredesmissies het onderscheid werd gemaakt tussen “Wars of Necessity” (noodzakelijke oorlogen) en “Wars of Choice” (niet-noodzakelijke oorlogen). In het tijdperk van het internationaal terrorisme en concrete dreigingen aan de Europese buitengrenzen is dit onderscheid volgens hem achterhaald. Toch blijft hij bij zijn ondersteuning van de titel van deze avond: oorlog is geen oplossing. De oplossing ligt in de dialoog. Maar dan moet je wel een dialoogpartner hebben die ook met je wil praten.


Door de organisatoren van de avond was voor een dialoogpartner gezorgd in de persoon van Kees Kalkman van het Anti-Militaristisch OnderzoeksKollektief die gevraagd was om een reactie op het voorgaande te geven. Kalkman begon met een korte uitleg van het onderscheid tussen anti-militarisme en pacifisme. Anders dan pacifisten zijn anti-militaristen niet per definitie tegen het leger als zodanig en ook niet tegen elke inzet van het leger. Ze verzetten zich echter tegen de invloed van militairen op binnen- en buitenlandse politiek en tegen de verheerlijking van het leger. Tegen het militarisme, dus. Kalkman heeft zelf dan ook destijds zijn militaire dienstplicht vervult. Bij de artillerie. En de beelden van de daadwerkelijke inzet van deze enorme kanonnen intrigeren nog altijd, maar vervullen Kalkman ook met huiver omdat hij weet wat de impact van deze vuurkracht is. Hij voelt dus met Wijnen mee dat je juist als militair, als ervaringsdeskundige, doordrongen bent van het feit dat oorlog geen oplossing is.

Naar zijn mening is geweldloosheid in bijna alle gevallen te preferen boven geweld en militaire inzet. Dat wil niet zeggen dat hij militaire optreden op voorhand zou willen uitsluiten, maar hij is wel veel sceptischer geworden over “bevrijdend geweld” zoals dat vroeger door Nederlandse solidariteitsorganisaties met bevrijdingsbewegingen ginds werd verdedigd en tegenwoordig wordt gepropageerd onder de noemer van humanitaire interventies. Onder deze noemer en de ook weer door Wijnen gebezigde term “vredesoperaties” is het militaire ingrijpen na het eind van de Koude Oorlog bijna de meest voor de hand liggende benadering geworden van internationale spanningen en conflicten.

Heel erg ten onrechte, zo stelt Kalkman met een verwijzing naar de militaire interventies in Afghanistan, Irak en Libië. Misschien was de aanvankelijke intentie nog wel verdedigbaar, maar de militaire interventies hebben uiteindelijk allemaal geleid tot een desastreuse verslechtering van de situatie. Kalkman verwijst in dit verband naar een recent verschenen rapport van het Britse Lagerhuis over de vijf jaar geleden gevoerde oorlog tegen Libië. De commissie van Lagerhuisleden, waarin vooral conservatieven zaten en lang niet alleen maar Corbyn-aanhangers van Labour, uit in dit rapport fundamentele kritiek op de gevoerde oorlog: de reden om in te grijpen was niet gebaseerd op inlichtingrapporten; waarschuwingen van die inlichtingendiensten en anderen werden voortdurend genegeerd en er vond een heel snelle verschuiving plaats van beschermingsdoelstelling om de bevolking van Benghazi te redden naar de doelstelling om het regiem ten val te brengen. Verder werd volgens het rapport de diplomatie genegeerd en het wapen te snel gekozen.

Kalkman wijst erop dat dit een patroon is dat je terug kunt vinden in Kosovo, Afghanistan, Irak, Syrië, etc. In Kosovo werd ook besloten om de NAVO te laten bomberen terwijl de diplomatieke missie van de OVSE nog gaande was. En Bette Dam schrijft deze week in de VN dat de oorlog in Afghanistan in 2001 na twee maanden afgelopen had kunnen zijn. Er was toen een deal mogelijk geweest, maar de Amerikanen kozen voor de voortzetting van de oorlog met als gevolg dat het land volledige gedestabiliseerd is en de Westerse troepen na 15 jaar het land nog niet kunnen verlaten.

Kalkman benadrukt dat hij niet tegen alle missies van het Nederlandse leger is. De vredesoperaties in Cambodja en op de grens van Ethiopië en Eritrea kan hij volledig ondersteunen. Maar lang niet alle militaire operaties zijn vredesacties. De militaire inzet in Kosovo, Afghanistan, Irak en Syrië zijn oorlogen; over die in Mali kun je wat hem betreft discussiëren.

Natuurlijk moet je ook volgend Kalkman optreden tegen ISIS en hij is ook niet tegen de training door het Nederlandse leger van de Koerdische peshmerga’s. Toch is hij tegen deze oorlog omdat het bredere kader ontbreekt: er is bij de coalitie die deze militaire operaties uitvoert geen enkele politieke oplossing voor de verarmde soennitische bevolkingsgroep Syrië in Irak. Zolang je dat probleem niet oplost, dragen de militaire operaties niet bij aan een oplossing en is oorlog ook geen oplossing.


Na een korte pauze wil Wijnen, voordat de discussie met de zaal wordt geopend, toch even op Kalkman reageren. Volgens hem vergelijkt deze namelijk heel verschillende missies met elkaar en kun je nauwelijks van een patroon spreken. De oorlog in Afghanistan heeft de positie van de vrouwen in dat land enorm verbeterd. Onder de Taliban hadden zijn geen leven. En de stelling van Kalkman dat je alleen het militaire wapen zou mogen inzetten als het effectief is, leidt volgens hem tot de vraag hoeveel geweld je wil toestaan voordat we in grijpen. Kunnen we als internationale gemeenschap alle gruweldaden toestaan omdat militair ingrijpen misschien niet effectief is?

Kalkman stelt dat zijn kritiek niet alleen de ineffectiviteit van het militair ingrijpend behelsde, maar ook de contraproductiviteit ervan. Door het militair ingrijpen in het Midden-Oosten (Irak, Syrië) is de oorlog daar verergerd. De Britse interventie in Sierra Leone is daarentegen wel goed verlopen. En dat was volgens Kalkman omdat deze interventie een realiseerbare omvang had. Het was te doen. Zodra het echter om grotere missies gaat, schiet het militaire middel te kort en maak je de boel alleen maar erger. De alternatieve strategie van diplomatieke oplossingen wordt steeds weer verlaten. Er is sprake van een militarisering van de internationale benadering van conflicten en dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Wijnen stelt daartegenover dat iedereen in 1990 dacht dat de vredes was uitgebroken en conflicten kon tegengaan door licht- of zelfs onbewapende VN-waarnemers het veld in te sturen. Tot deze in 1995 aan lantarenpalen stonden vastgebonden om als levend schild te dienen.

Een eerste vragensteller uit de zaal meent dat het heel goed is dat de NAVO ISIS bestrijd en hij meent dat dat in de jaren ’90 ook in Bosnië had moeten gebeuren. Doordat de NAVO door de moslimstrijders te hulp schoot, droeg ze volgens deze vragensteller bij aan het ontstaan van de islamitische strijdgroepen die nu alle ellende veroorzaken. We hadden volgens hem het moslimextremisme in Bosnië en Kosovo moeten bestrijden in plaats van te ondersteunen. Kalkman wijst erop dat de kiem voor Al Qaida en ISIS in 1979 in Afghanistan werd gelegd toen het Westen de dit soort groepen steunden in hun strijd tegen de Russen. Een andere vragensteller betoogt vult aan dat het islamitisch fundamentalisme pas na 2011 op de Balkan is opgekomen en daarvoor in die regio nagenoeg afwezig was en dus juist op de Balkan vanuit het Midden-Oosten werd geïmporteerd in plaats van andersom. Deze tweede vragensteller herinnert er ook aan dat het Westen in Kosovo de gewapende UÇK steunde en daarmee de geweldloosheidsbeweging van Ibrahim Rugova in dat land verzwakte.

Waar deze tweede vragensteller echter eigenlijk naar toe wil is dat we als Westen moetn uitkijken om Rusland niet verder te provoceren en de haat die aan beide kanten van de inmiddels weer opgebouwde scheidslijn niet verder laten toenemen. Als Russische straaljagers over ons deel van Europa vliegen dan beschouwen we dat als provocatie. Maar waarom realiseren we ons dan niet dat als onze eigen luchtmacht in het kader van NAVO-afschrikkingsacties boven Russisch grondgebied vliegt dat evenzeer een provocatie is? Moeten we niet meer begrip tonen voor de Russisch angst? Voor Rusland kwam de vijand altijd uit het Westen.

Wijnen antwoordt dat in de Baltische staten een buitengewoon ernstige situatie heerst en dat als wij begrip willen hebben voor de Russische angst, we dat ook voor die van de Baltische volkeren moeten hebben. Voor hen kwam de vijand juist bijna altijd uit het Oosten. Het gaat erom te laten zien dat de NAVO kan domineren in de escalatie waardoor pogingen van de ander om de strijd daadwerkelijk te beginnen in de kiem gesmoord worden. Daar komt bij dat de NAVO zichzelf verplicht heeft om lidstaten te beschermen tegen dreigingen van buiten. Daaraan kun je je niet onttrekken door te zeggen dat dat nu wat slechter uitkomt. De situatie doet sterk denken aan de Koude Oorlog, met het verschil dat beide partijen toen wisten we ze aan elkaar hadden. Dat is nu anders. Gevraagd naar de-escalatie maatregen om de Russen ook weer te doordringen van de vreedzame bedoelingen antwoord wijnen dat je de troepenopbouw in Rusland moeten beantwoorden met defensieve maatregelen aan onze kant.

Een vierde vragensteller heeft het gevoel dat de discussie over oorlog en vrede is verzand in een discussie op de millimeter. Vroeger was er nog sprake van een ideologische strijd, maar nu lijkt het alleen maar te gaan om een stukje meer of minder. Wijnen erkent dat het inderdaad belangrijk is om meer vanuit een Russisch perspectief te kijken en niet alles vanuit een Nederlands of Westers perspectief. Op missie, zo vertelt hij, worden dan ook altijd culturele adviseurs meegenomen om juist ook die andere bril (van de Afghaan, de Malinees of de Irakees) op te kunnen zetten.

Kalkman wil weer terug naar het Balticum en wijst erop dat die staatjes die tussen de Oostzee en Rusland liggen ingeklemd militair domweg niet te verdedigen zijn. Alle militaire manoeuvres die de NAVO daar nu uitvoert hebben dus alleen maar met de verwachtingen en het vertrouwen van de lokale bevolking te maken, maar helemaal niets uit te staan met de realiteit van een militaire verdediging. Dat gezegd zijnde, verwacht Kalkman ook helemaal niet dat Rusland een oorlog zal beginnen om de Baltische staten. Rusland zit aan het plafond van zijn militaire kunnen. Het is maar de vraag hoe lang Rusland nog militair actief in Syrië kan blijven. Die oorlog daar vergt het uiterste van het land. De Russische defensie-uitgaven zijn in de ordegrootte van die van Engeland, Frankrijk en Duitsland afzonderlijk. Deze drie landen alleen al geven dus meer dan drie keer zoveel aan Defensie uit als Rusland. Daar komt de rest van de EU dan nog bij en dan hebben we de Verenigde Staten nog niet meegerekend die in haar eentje al meer aan Defensie uitgeeft dan de haar concurrenten allemaal bij elkaar. Dat Rusland uit zichzelf de aanval op Europa of een EU- danwel NAVO-lidstaat zou openen is dus feitelijk uit te sluiten.

De enige scenario’s waarin het tot een militaire krachtmeting met Rusland kan komen is als Oekraïne een oorlog zou provoceren of dat de Russische exclave ten westen van het Balticum, Kaliningrad, bedreigd zou worden. Net als de Krim vormt Kaliningrad voor de Russen belangrijke militair steunpunten die het koste wat kost zal verdedigen. Als je het over het inleven in andere percepties hebt, zul je de Russische perceptie dus heel serieus moeten nemen en erkennen dat veel meer dan wij ons door hen, zij zich door ons bedreigd voelen. De twee militaire blokken staan nu als kemphanen tegenover elkaar en dat is levensgevaarlijk. Je moet in deze situatie de-escaleren en in de internationale politiek moet je bovendien altijd rekening houden met elkaars belangen.

Dat laatste is Wijnen te gortig. Moet je dus maar toestaan dat Rusland het internationaal recht aan haar laars lapt en de Krim annexeert omdat je rekening moet houden met haar belangen? Dan is het eind zoek! Kalkman maakt zich daarentegen boos over het meten met twee maten dat hier wordt uitgevend. Als Rusland het internationaal recht schendt door de Krim te annexeren dan zijn we in alle staten, worden economische sancties afgekondigd en militaire maatregelen genomen tegen de boosdoener. Maar wat waren de maatregelen toen de Verenigde Staten in 2003 het internationaal recht schonden en een soevereine staat binnenvielen? We hadden toen tenminste uit de NAVO moeten stappen maar in plaats daarvan sprak de Nederlandse regering haar politieke steun uit en draaide een paar jaar later haar NAVO-corvee dienst in de NAVO-bezettingsmacht van Irak…

Inmiddels is de vijfde vragensteller aan de beurt die zich afvraagt waarom het Westen Iran op afstand houdt in de strijd tegen ISIS en Soeadi-Arabië juist voluit steunt. Kalkman meent dat je beide landen nodig zult hebben om tot een vredesregeling via onderhandelingen te komen. Een militaire oplossing voor de oorlog in Syrië is er namelijk niet, ook al lijken de Russen daar nog wel in te geloven. Bovendien zal het op de een of andere manier tot een ontspanning tussen Saoedi-Arabië en Iran moeten komen om te voorkomen dat de hele regio naar een godsdienstoorlog tussen de soennitische en sji’itische stroming binnen de islam afglijdt.

Tot slot geeft hij ook hierbij weer een voorbeeld van het meten met twee maten: het Westen heeft grote kritiek op de wijze waarop Assad met Russische steun Aleppo bombardeert, maar hij voorspelt dat de komende dagen een soortgelijke alle oorlogsrecht tartende aanval op Mosul zal worden uitgevoerd door onze bondgenoten. Hij meent dat we echt terug moeten naar de wapenstilstand en vandaaruit moeten werken aan een politieke oplossing. Het grote probleem is echter dat de Russen en Amerikanen elkaar niet vertrouwen. Aan beide kanten zijn diplomaten die wel kunnen en willen werken aan een gezamenlijke aanpak, maar aan beiden kanten zijn ook spelbedervers (met name binnen de ministeries van defensie) die er steeds weer in slagen roet in het eten te gooien en net begonnen vredesinitiatief laten vervangen door een nieuw gewapend offensief. Hun invloed, zo bepleit Kalkman, zou teruggedrongen. Aan beide kanten, benadrukt hij nog eens als Wijnen hem verwijt dat de Amerikanen het natuurlijk weer gedaan hebben.

Wijnen bespeurt in de hele discussie echter toch een anti-Amerikaanse bril. De bronnen van het kwaad in Syrië zijn echter niet de Amerikanen maar het zijn ISIS en Assad. Kalkman wijst erop dat ISIS een product is van de Amerikaanse invasie in Irak van 2003. De laatste vragensteller wil reageren op de opmerking van Wijnen dat de situatie voor vrouwen in Afghanistan een stuk beter is dan voor 2001. Een paar jaar geleden kon je dat voor de situatie van vrouwen in bepaalde delen van Afghanistan zeggen, maar inmiddels is dat al lang niet meer zo en verslechterd de situatie met de dag. Wijnen meent dat we geduld moeten hebben. De militairen doen wat ze kunnen, maar een mooie modeldemocratie zoals wij die in Nederland hebben kunnen zij niet binnen en paar jaar in een totaal ander land met een heel andere cultuur realiseren.
Dat laat dan toch ook weer vraagtekens ontstaan bij zijn eerdere claim dat onze welvaart en rechtsstaat mede aan onze defensie is te danken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen