vrijdag 30 september 2016

De wetenschap van “Safe and Secure”

In de laatste week van september vond in de Enschedese binnenstad de “Twente Science Week” plaats om scholieren en ander burgers kennis te laten maken verschillende onderzoeksdisciplines die aan de Universiteit Twente worden beoefend. De focus lag dit jaar op het thema “safe and secure” oftewel alles wat met veiligheid te maken heeft. En als techniek daarbij in het geding is, kan het natuurlijk gaan om de inzet en eventuele ontwikkeling van nieuwe technologie om met name de openbare veiligheid te kunnen garanderen, maar ook om het garanderen van de veiligheid van die technologische artefacten zelf.


In een speciaal voor deze Twente Science Week op de Oude Markt geplaatste dometent vond vanavond in dit kader een door Studium Generale georganiseerd Science Café plaats met drie sprekers (de vierde, die het over cyber security zou hebben, was helaas verhinderd).


De eerste spreker, prof.dr.ir. Frank Leferink, werkzaam aan de Universiteit Twente en bij Thales, zat eigenlijk al meteen in deze ambiguïteit van technologie voor de veiligheid en de veiligheid van de technologie. Zijn vakgebied is elektromagnetisme en elektromagnetische signalen worden steeds meer ingezet in de communicatie, in de besturing (al dan niet op afstand) van voertuigen en apparaten en in veiligheidssector.

En al die elektromagnetische signalen die we tegenwoordig gebruiken kunnen elkaar over en weer beïnvloeden. Leferink liet een reeks tamelijk recente krantenkoppen zien van voertuigen en apparaten waarbij de besturing werd verstoord door mobiele telefoons, signalen van andere apparaten etc. Mr. Bean heeft ook al eens sketch uitgebracht rond dit thema waarbij de afstandbediening van een radiografisch bestuurd speelgoedbootje de besturing van een in hetzelfde park aanwezige rolstoel overneemt.

Doorgaans zijn deze interferenties natuurlijk onbedoeld, maar je kunt er ook bewust gebruik van maken en dat kan dan weer in destructieve en constructieve zin. Zo is in de jaren ’60 al een elektromagnetische bom ontwikkeld volgens het concept om een bepaalde plaats in één keer zo’n enorme hoeveelheid straling en signalen te produceren dat bijvoorbeeld alle computersystemen in de hele omgeving van die “bom” op zwart gaan. Fysiek wordt er niets beschadigd, maar de hele elektronische of digitale infrastructuur is in één keer uitgeschakeld.

Een ander voorbeeld, dat volgens Leferink dan weer constructief of in ieder geval nuttig zou zijn, zijn de zogenaamde “jammers”; kastjes die de elektromagnetische signalen van bijvoorbeeld telefoons zodanig verstoren dat deze onbruikbaar zijn. Deze werden bijvoorbeeld door het Vaticaan ingezet bij de meest recente pauskeuze waardoor verzekerd werd dat de kardinalen die aan de stemmingen mee mochten doen via hun mobiele telefoon geen contact konden hebben met de buitenwereld.

Maar zo’n jammer, waarvan niet alleen het gebruik maar zelfs het bezit in Nederland verboden is, kan ook ingezet worden door inbrekers om het elektronische beveiligingssysteem van het object dat zij binnen willen treden feitelijk uit te schakelen. Leferink noemt dit een “minder nuttige” toepassing, maar dat is maar net vanuit welk gezichtspunt je het bekijkt.


Hoe het ook zij, in een samenleving waarin het “Internet of Things” steeds meer in opmars is, vormen dit soort jammers of anders instrumenten om signalen te verstoren, een veiligheidsrisico in beide betekenissen van het woord: zowel voor de openbare veiligheid als voor de veiligheid van de verschillende apparaten. De UT, zo betoogde Leferink, doet onderzoek naar het voorkomen van dit soort verstoringen, bijvoorbeeld door signalen selectiever (gerichter) of dynamischer te maken. Het nadeel daarvan is dat ze meer energie zullen gaan kosten.

De tweede inleider was dr. Norman Kerle van de UT-faculteit ITC. Hij doet onderzoek naar de inzet van drones bij het in kaart brengen van (de gevolgen van) rampen. Afhankelijk van hun toepassing en van het soort ramp kan het bij de drones gaan om kleine multicopters of om veel grotere exemplaren uitgerust met vleugels. De eerste is heel geschikt om bijvoorbeeld na de kernramp in Fukushima de overblijfselen van de kerncentrale te inspecteren; de tweede om de wijdere omgeving te verkennen.


Kerle kwam met een voorbeeld van een drone waarmee hij met een onderzoeksteam de gevolgen van een grote ontploffing op bijvoorbeeld een gebouw in kaart kon brengen. Op een militair terrein in Zweden werd 400 ton TNT tot ontploffing gebracht vlakbij een daarvoor gebouwde constructie dat een grote kantoorkolos moest voorstellen. Vanuit de drone kon je in slow motion zien hoe de ontploffing zich ontwikkelde, maar ook hoe het bouwwerk dit, een enkel haarscheurtje daargelaten, deze explosie doorstond. Toen later 15 ton TNT in het gebouw tot ontploffing werd gebracht, bezweek het gebouw. De les die je hieruit volgens Kerle kon leren was dat autobommen veel minder effectief zijn dan een bom die in een gebouw geplaatst is en tot ontploffing wordt gebracht.

Wat deze conclusie precies met drones te maken had, ontging mij, en dat gold ook voor zijn eindconclusie dat drones erg zinvol zouden zijn geweest bij de Vuurwerkramp in Enschede. Toen hem vervolgens werd gevraagd wat drones zouden kunnen bijdragen aan het in kaart brengen van de aardbevingsschade in Groningen, moest hij bekennen dat dit vrijwel nihil was. De schade ontwikkelt zich namelijk heel langzaam en voorzover het zichtbaar is gaat het om kleine breuklijntjes. Dat is allemaal te langzaam en te klein voor een drone om dat over zo’n groot gebied in kaart te kunnen brengen.

Een andere vraag betrof nog de inzetbaarheid van drones na rampen in gebieden waar deze niet mogen vliegen. Dat is volgens Kerle vooral een juridisch probleem vergelijkbaar met rampgebieden waar de reddingshonden die in worden gevlogen eerst een maand in quarantaine moeten blijven. Is het bevoegd gezag bij een ramp bereid en in staat om de nood de wet te laten breken of niet.


De derde spreker, dr. Jaap Knotter, werd geïntroduceerd als de eerste politieman die 16,5 jaar geleden het gebied van de Vuurwerkramp binnentrad. Het verbaasde de spreker dat hem dit na al die tijd nog steeds achtervolgde. Inmiddels deed hij namelijk heel iets anders bij de politie. Hij was docent aan de Politie-Academie en tegelijkertijd onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam en docent op de Saxion Hogeschool. Zijn onderzoeks- en leergebied is de inzet van nieuwe technologie, met name nano-technologie, bij forensisch onderzoek en dan met name de cold cases.


Het veilig stellen van sporen is één van de belangrijkste onderdelen van het forensisch politiewerk. Bij branden is daarbij altijd strijd tussen politiek en brandweer, omdat de brandweer bij het bestrijden van de brand heel veel sporen vernietigd of onbruikbaar maakt. Dit sporenonderzoek maakt deel uit van het technisch onderzoek dat onderscheiden is van het tactisch onderzoek en voornamelijk bestaat uit het verhoren van getuigen en verdachten.

De inzet van nanotechnologie bij sporenonderzoek zou volgens Knotter ook heel geschikt zijn voor geheim onderzoek en voor het direct analyseren van het gevonden materiaal (en niet steeds weken moeten wachten op een forensisch laboratorium). Maar nanotechnologie is vooral interessant in relatie met de talloze cold cases: in de depots waar deze hun definitieve oplossing afwachten ligt feitelijk een schat aan informatie. Eén van de zaken waar Knotter veel van verwachten zijn zogenaamde e-noses die voor de medische sector zijn ontwikkeld om geuren te kunnen analyseren. In de cold cases depots liggen talloze geurlappen. Deze zijn thans onbruikbaar omdat sinds een aantal jaren het onderzoek van deze geurlappen met behulp van speurhonden niet langer toelaatbaar is in de rechtspleging. In plaats van de neuzen van de speurhonden zouden de e-noses misschien uitkomst kunnen bieden om alsnog oude misdrijven op te kunnen lossen.

En zo ging het in dit science café over het Oost-Nederlandse onderzoek naar veiligheid uiteindelijk toch wel sterk over technologie om de zogenaamde openbare veiligheid te kunnen versterken. In het totaalprogramma van de Twente Science Week “Safe and Secure” was wel ruimte voor een iets kritischer benadering, namelijk waar psychologen nader ingingen op aannames en vooroordelen bij bijvoorbeeld profilering. De Twentsche Courant Tubantia ging daar echter volstrekt aan voorbij en pakte vanochtend in de krant juist groot uit met een artikel hoe belangrijk het is dat burgers “leren signaleren”, oftewel melden wat in hun ogen niet geheel door de beugel kan. Dat is geen wetenschap, maar het versterken van een veiligheidsmanie die onze samenleving uiteindelijk juist veel minder “safe and secure” zal maken.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen