donderdag 25 september 2014

Oorlog in het Midden-Oosten

Terwijl de kranten vandaag volstaan met berichten over het besluit van de Nederlandse regering om actief deel te gaan nemen aan de oorlog tegen de Islamitische Staat in Irak en Syrië hoofdzakelijk door bombardementen uit te gaan voeren op gronddoelen in Irak, organiseren Enschede voor Vrede en de Turks-Mediterrane Alawitische Vereniging (TAAB) in het TAAB-gebouw in Hengelo een bijeenkomst met Meltem Halaceli over de door hemzelf opgetekende memoires van haar grootvader over zijn ervaringen als Arabisch-Alawitisch soldaat in het Ottomaanse leger ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende Turkse Onafhankelijkheidsoorlog.


Meltem Halaceli is zelf in Twente geboren en opgegroeid als dochter van Arabisch-Alawitische ouders afkomstig uit Turkije. Dat leidt al snel tot verschillende identiteiten. Ben je nu Nederlandse, Arabische of Turkse? Een jaar of tien geleden is ze Arabische Taal en Cultuur gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam en toen zij na enige tijd, als enige in haar familie, niet alleen Arabisch kon spreken maar ook kon lezen kreeg ze van haar vader een in het Arabisch geschreven boekje dat hij van zijn vader, haar grootvader, had gekregen, maar dat hij nooit had kunnen lezen. Ook Meltem Halaceli had moeite het te lezen, omdat het boekje niet in het klassiek Arabisch was geschreven maar in een specifiek Noord-Syrisch dialect dat alleen in het huidige Zuid-Turkije wordt gesproken en overigens als dialect op het punt staat uit te sterven omdat veel in Zuid-Turkije levende Arabische-Alawieten in toenemende mate geturkificeerd (en overigens ook gesoennitiseerd) worden. Het dialect is ook nog maar nauwelijks gedocumenteerd. Er bestaan geen woordenboeken of verhandelingen over dit dialect en er zijn überhaupt maar weinig documenten in dit dialect geschreven omdat het in de Arabischtalige wereld gebruikelijk is om klassiek-Arabisch te schrijven los van hoe het in een specifieke regio wordt gesproken. Daardoor kunnen mensen in de Arabischtalige regio wel elkaars geschriften lezen, maar elkaar nauwelijks verstaan.

Het leert ons over de grootvader van Meltem Halaceli, Sulayman Hajj Ali, dat deze, ondanks het feit dat hij van eenvoudige komaf is geweest, wel onderwijs heeft genoten en in ieder geval het Arabisch schrift beheerste waarin hij zijn eigen dialect schreef. Om het te kunnen lezen is Meltem Halaceli een paar keer naar Zuid-Turkije afgereisd om ouderen te vragen de tekst voor te lezen. Van een taalkundige bijzonderheid werd het boekje vervolgens ook een inhoudelijke bijzonderheid.

Sulayman Hajj Ali is namelijk in 1892 in Adana geboren en werd in 1912 als dienstplichtig soldaat opgeroepen in het Ottomaanse leger. Twee jaar later brak ook in het Midden-Oosten de Eerste Wereldoorlog uit en deze duurde daar uiteindelijk tot 1923, het einde van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. In 1925, zo blijkt uit het boekje, heeft Sulayman Hajj Ali zijn ervaringen als soldaat opgetekend. “De honger, angst en lijden. Maar ook wat ons volk is overkomen.” zo schrijft hij. Dat zijn twee unieke punten.

In de eerste plaats is er maar heel weinig over de ervaringen van gewone Ottomaanse soldaten in de Eerste Wereldoorlog bekend. Britse, Franse en Duitse militairen die aan de Europese fronten vochten hielden massaal dagboekjes bij of schreven brieven aan het thuisfront. Er zijn hele bloemlezingen van verschenen en veel van het materiaal is later uitgegeven of tot literair document omgewerkt. De meeste Ottomaanse soldaten waren echter analfabeet en hebben dus niets op kunnen schrijven. En als ze dat al deden, dan zal daarvan veel verloren zijn gegaan omdat hun nakomelingen, net als in de familie van Meltem Halaceli, het niet konden lezen. Wat dat betreft is het boekje van haar grootvader gered omdat zij heel toevallig Arabische Taal en Cultuur is gaan studeren.

Het tweede aspect is de beschrijven van “wat ons volk is overkomen”. Over de geschiedenis van de Arabisch-Alawitische minderheid in het huidige Turkije is maar heel weinig bekend en veel gebeurtenissen uit de roerige periode van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog die haar grootvader beschrijft heeft Meltem Halaceli tot dusverre nog niet terug kunnen vinden in de zeer gebrekkige geschiedschrijving over deze periode die bovendien nogal wordt gedomineerd door de Turks-nationalistische overwinnaars die uit deze oorlog boven kwamen drijven.

Sulayman Hajj Ali is opgegroeid in de Arabisch-Alawitische wijk van Adana, een multiculturele stad in het Zuiden van Turkije die op dit moment door Nederlandse Patriotraketten wordt beschermd tegen een eventuele raketaanval vanuit Syrië. Naast Arabisch-Alawieten woonden er ook veel Armeniërs en Turkse soennieten. Adana heeft een treinstation dat meer dan 100 jaar oud is en door Duitse ingenieurs is gebouwd in het kader van de Berlijn-Bagdad-spoorverbinding die zij aan het aanleggen waren als alternatief-over-land voor de door de Britten beheerste zee-verbindingen met het Indiase subcontinent. Deze spoorlijn wordt wel gezien als één van de redenen waarom de Eerste Wereldoorlog is losgebarsten en in ieder geval waarom deze ook in het huidige Midden-Oosten werd uitgevochten. Met de Ottomaanse sultan aan hun zijde die bovendien kalief was van alle moslims hoopten de Duitser opstanden uit te laten breken in de door de Britten gedomineerde islamitische landen of regio zoals het noorden van India, Iran, de Golfstaten, Egypte en Soedan. Deze strategie bleek niet te werken. Volgens Meltem Halaceli streefden de meeste mensen in die landen (en ook in het Ottomaanse Rijk) meer naar nationale onafhankelijkheid dan naar een islamitisch wereldrijk onder de Turkse sultan.

Sulayman Hajj Ali werd bij de mobilisatie in de nazomer van 1914 naar de Zwarte Zeekust gestuurd om de Russische aanval daar te stoppen. Na een paar maanden werd hij naar Gallipoli gestuurd. Met de slag om Gallipoli probeerden de geallieerden de Dardanellen in handen te krijgen zodat er een open zeeverbinding met Rusland kon ontstaan. Om dat te bereiken werden enorme contingenten Britse, Franse maar ook Australische militairen aan land gezet. De geallieerden leden een smadelijke nederlaag tegen het Ottomaanse leger en dat leidde tot een enorm gezichtsverlies voor de verantwoordelijke Britse minister van Marina, Winston Churchill, en voor het Britse Rijk als geheel. Gallipoli maakte een eind aan de Britse onoverwinnelijkheid en in veel delen van het Britse Rijk, met name in Australië, ontstond na Gallipoli, mede ingegeven door de Australische verliezen die daar zo ver van huis waren geleden, een onafhankelijkheidsstreven. De geschiedenis van Australië begint in Gallipoli.

In de memoires van Sulayman Hajj Ali is echter maar weinig van een overwinningseuforie terug te lezen. Hij maakt duidelijk dat het Ottomaanse leger maar ternauwernood heeft gewonnen en dat de verliezen enorm waren. Bij Gallipoli werden ook nieuwe, bij de Ottomaanse soldaten nog niet bekende, wapensystemen ingezet zoals landmijnen. “De hel brak uit,” schrijft Sulayman Hajj Ali, “Vrouwen werden weduwe, kinderen werden wees, overlevenden eten gras.” Hij neemt waar dat de desertie toenam, evenals de corruptie en dat de moraal sterk verminderde. Uit andere bronnen blijkt dat Gallipoli inderdaad een enorme aanslag betekende voor het Ottomaanse leger. Er zijn 300.000 Ottomaanse soldaten omgekomen en daaronder bevonden zich met name de beter opgeleide Ottomaanse troepen en de meer kundige legerleiders. Het Ottomaanse leger was als het ware onthoofd en zou in de jaren daarna niet meer de slagkracht vertonen die het bij Gallipoli had laten zien. Ook de Turkse taal bevat een herinnering aan de zeer negatieve beleving van deze tijd; heel veel Turkse spreekwoorden dateren uit deze jaren.


Sulayman Hajj Ali deserteert niet maar vecht in de jaren erna tegen met name de Britse troepen bij Aleppo, Ramallah en Gaza. Bij de derde slag bij Gaza, in het najaar van 1917, wordt hij krijgsgevangen genomen door het Britse leger en naar een krijgsgevangenenkamp ten zuiden van Caïro gebracht. Hij spreekt van ontberingen en tewerkstelling in een steengroeve. Volgens een onderzoek uit die tijd naar de situatie van Britse krijgsgevangenkampen van het Internationale Rode Kruis blijkt hier niets van, maar Meltem Halaceli stelt vast dat het Rode Kruis niet alle kampen heeft bezocht en in ieder geval dat van haar grootvader niet. Mogelijk waren er in diverse kampen verschillende regiems. Dat verschillende krijgsgevangen verschillend worden behandeld blijkt ook wel uit het feit dat haar grootvader pas in 1920 vrijkwam, terwijl de uitruil van krijgsgevangenen tussen Ottomanen en Britten al direct na de wapenstilstand van Mudros in het najaar van 1918 was begonnen. Maar eerste werden etnische Turken en Britten geruild; pas later kwamen in de respectievelijke legers meevechtende Arabieren en Indiërs aan de beurt. In zijn memoires verwijt Sulayman Hajj Ali het Ottomaanse leger dat ze de “schatkist” van Damascus zonder slag of stoot in handen van de Britten hebben laten vallen met achterlating van hun wapens in de stad. Een vergelijking met recente gebeurtenissen dringt zich op.

Na zijn vrijlating werd Sulayman Hajj Ali per schip van Alexandrië naar de havenstad Mersin bij Adana overgebracht. Die bootreis was de meest verschrikkelijke ervaring van zijn leven en hij is in die twee dagen grijs geworden. In Adana is de onzekerheid over de toekomst van het verslagen Ottomaanse Rijk merkbaar. Gesteund door het Franse leger zijn de Armeniërs erop uit het tot de hoofdstad van een groot-Armenië in het oosten van Anatolië te maken, terwijl de soennitische Turken het vooral een Turkse stad willen laten zijn. Dit soort spanningen tussen de diverse bevolkingsgroepen speelt overal in Turkije en de plannen van de geallieerden om slechts een heel klein Turkije in centraal Anatolië te creëren en de rest onderling te verdelen en aan de Grieken, Italianen en Armeniërs te geven leidt tot de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog van Mustafa Kemal (Atatürk). Deze weet de half miljoen gedeserteerde en als gewapende bendes door het land trekkende Ottomaanse militairen achter zich te krijgen en voert een felle Turks-nationalistische strijd tegen de verschillende Europese mogendheden.

In deze periode wordt met name binnen de Arabisch-Alawitische gemeenschap in Turkije ook een niet-soennitisch Arabisch nationalisme aangewakkerd dat in het tegenwoordig Turkse Antakya leidt tot de oprichting van de Baath-partij die het later in Syrië voor het zeggen zou krijgen en nog later ook in Irak. De Arabisch-Alawieten waren echter verdeeld over de vraag wie te steunen in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. In Syrië en Irak hadden de Britten en Fransen soennitische regeringen opgezet dus daar viel geen steun van te verwachten. Sommigen vochten met de Fransen en Armeniërs tegen de Turken, anderen met de Turken tegen de Fransen en Armeniërs. Ook in Adana. De meeste Arabisch-Alawieten in Adana kiezen echter uiteindelijk de kant van Mustafa Kemal tegen de Fransen. Zo ook Sulayman Hajj Ali.

Wie gedacht had daar na afloop van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog in 1923 voor beloond te worden, kwam bedrogen uit. In zijn memoires noteert Sulayman Hajj Ali dat op 1 april 1924 de haat jegens de Arabische gemeenschap boven komt drijven en dat er plannen zijn de Arabisch-Alawieten te deporteren naar Van en Sivas. En dat “terwijl we zij aan zij vochten met de Turken tegen hun vijanden. Ze weten dat wij geen leider hebben. Ze verdelen het land en geven ons land aan iemand anders.” Volgens hem zijn er 30.000 Arabisch-Alawieten vanuit Adana gedeporteerd. Sulayman Hajj Ali was daar zelf niet bij. Over deze deportatie is vrijwel niets terug te vinden en Meltem Halaceli hoopt daarover nog verhalen te kunnen horen van oudere Arabisch-Alawieten uit Turkije die zich hier nog de verhalen van hun ouders over kunnen herinneren. Feit is dat een en ander de identiteit van de Arabisch-Alawieten heeft versterkt hoezeer de Turks-nationalisten deze identiteit ook hebben geprobeerd deze uit te wissen. Bijvoorbeeld door de Arabisch-Alawieten als nazaten van de ooit in deze regio woonachtige Hittieten te beschouwen en de provincie rond de belangrijke Arabisch-Alawitische steden Antakya (Antiochië) en Iskendrun (Syrisch Alexandrië) naar de Hittieten “Hatay” te noemen.

Zeker in vergelijking met wat christelijke minderheden in het Ottomaanse Rijk is overkomen kun je ten aanzien van de Arabisch-Alawieten niet echt van een genocide spreken, maar dat er gepoogd werd en wordt om de Arabisch-Alawitische identiteit uit te wissen is wel degelijk vergelijkbaar. Helaas heeft Meltem Halaceli geen nader onderzoek kunnen doen naar deze Arabisch-Alawitische identiteit omdat alleen jongens in de religie worden ingewijd en meisjes niet.

Vanuit het publiek, dat voor meer dan de helft uit Arabisch-Alawitische leden van TAAB bestaat, klinkt alom verbazing dat deze geschiedenis over hun gemeenschap ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en vlak daarna hen nooit is verteld. Ook worden vergelijkingen getrokken met het heden nu veel Arabisch-Alawieten in Turkije weer in angst leven voor de sterke toename van een soennitische dominantie en van haat jegens niet-soennitische minderheden die deels door ede Turkse president Erdogan wordt aangewakkerd en natuurlijk ook op de loer ligt in de aanwezigheid van ISIS en haar sympathisanten in buurland Syrië en op het aanpalende Turkse grondgebied. Tijdens een recente reis naar het zuiden van Turkije is Meltem Halaceli ook erg geschrokken van het ongekend racisme in Turkije tegenover alles was in hun ogen Syrisch is en dus inclusief Arabisch-Alawieten. In zekere zin lijkt de geschiedenis van 100 jaar geleden zich vandaag de dag te herhalen. Of moet je zeggen dat het nooit echt is weggeweest?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen