zaterdag 4 november 2017

Palestina Anders Belicht

Vanmiddag vond in de Openbare Bibliotheek Enschede de opening plaats van de fototentoonstelling "Palestina Anders Belicht". Veel foto's van Palestina die tot ons komen laten vaak de confrontatie zien en hebben 'de bezetting' als thema. De fotoserie die deze maand in de bibliotheek staat opgesteld laat echter een ander beeld zien. Veel meer dat van het dagelijks leven.
 

Eén van de drie fotografen van wie het werk werd getoond was via een skype-verbinding bij de opening aanwezig om een toelichting te geven. Vivien Sansour is geboren in Bethlehem maar woont al lange tijd in California. De herinnering aan Palestina bleef evenwel en toen ze de kans kreeg om als landbouwkundig adviseur naar haar geboortestreek terug te keren, pakte ze die met beide handen aan. Met een heel gewone camera maakte ze foto's van het dagelijks leven en van het boerenbestaan in de omgeving van Jenin om naar haar familie in de Verenigde Staten op te sturen. Het waren, zoals gezegd, andere beelden dan de gebruikelijke en deze andere belichting van Palestina maakte dat haar foto's in bredere kring werden verspreid.

Op haar 32ste verjaardag kreeg ze van haar neef een professionele camera en dat markeerde haar tweede geboorte als fotografe. Door zich achter de camera te plaatsen bleek ze uiteindelijk ook een beter waarnemer en luisteraar te worden en in plaats van dat ze, zoals ze als adviseur gewend was, altijd zelf aan het woord te zijn, legde ze haar oor veel meer te luisteren naar wat de boeren zelf te vertellen hadden vanuit hun eeuwenoude tradities met deze grond. Eén van de zaken waar ze zich nu als landbouwkundige vooral voor inzet is de instandhouding van de biodiversiteit. Een agrarische monocultuur wordt namelijk steeds kwetsbaarder en betekent uiteindelijk de dood in de pot. Dat geldt overigens voor de landbouw, maar ook voor een samenleving. Ook een samenleving is gebaat bij een culturele diversiteit en het naast elkaar bestaan van verschillende verhalen.

Ook in de rest van het openingsprogramma kwamen de aandacht voor landbouw en het bestaan van meerdere, vooral ook andere verhalen dan we veelal horen willen terug.


Dat gebeurde met name in het verhaal van Erik Ader. Zijn vader - Erik was toen overigens nog niet geboren -, Bastiaan Ader, stapte als theologie-student in 1936 in Lochem op de fiets voor een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Dat deden in die tijd meer Nederlandse jongeren, van wie Gerard Monnink uit Oldenzaal een dergelijke fietstocht heeft geboekstaafd in zijn reisverslag "Met fiets en tent naar de Oriënt".

Na terugkomst in Nederland voltooide Bastiaan Ader zijn theologiestudie en werd predikant in Oost-Groningen. In de oorlogsjaren klopten joodse onderduikers bij hem aan die hij aanvankelijk in zijn eigen pastorie opnam en later onderbracht bij boerengezinnen in een steeds wijdere omgeving. Naar verluid heeft hij het onderdak voor zo'n 200 tot 300 joden geregeld en dat hadden er nog meer kunnen worden, ware het niet dat zijn plannen om een ontsnappingsactie van joden uit Kamp Westerbork uit te voeren voortijdig uitlekten waarop hij werd opgepakt en in november 1944 werd gefusilleerd.

Na de oorlog trokken veel van Bastiaan Aders onderduikers naar Israël vanwaar ze contact bleven onderhouden met diens weduwe en haar kinderen waaronder Erik. Men deelde met elkaar het positieve verhaal van de stichting van de staat Israël en het aureool van jeugdig enthousiasme waarmee de Israëlische samenleving werd opgebouwd. Dat daar ook een andere kant aan zat zag men in Nederland in die tijd niet. Uit zijn middelbare schooltijd herinnert Erik zich nog dat zijn geschiedenisleraar lachend vertelde over de talloze schoenen die de vluchtende Egyptische militairen in de woestijn hadden achtergelaten toen het Israëlisch leger hen in de tegenwoordig vaak vergeten oorlog van 1956 op de hielen zat.

Inmiddels had ds. Bastiaan Jan Ader zijn plek gekregen aan de Laan der Rechtvaardigen en werd door het Joods Nationaal Fonds in Israël een naar hem vernoemd bos aangelegd waarvoor zijn weduwe nog naar Israël was overgevlogen om de eerste boom te planten. Door gulle gevers uit Nederland zou dat bos uiteindelijk 1100 aangeplante bomen gaan omvatten. 


In 1966 bezocht Erik zelf als twintiger Israël en nam daarbij niet het vliegtuig maar reisde net als zijn vader over land. Zij het dan niet op de fiets, maar liftend. Hij kwam dus via Arabische landen als Syrië, Libanon en Jordanië in Israël aan. Natuurlijk bezocht hij het naar zijn vader vernoemde bos en liet zich door de Israëlische gids uitleggen dat deze plek daarvoor een dorre woestijn was geweest die het joodse volk weer tot bloei had weten te brengen. De gids wees naar de vanaf dit plek zichtbare Westoever en zei met een dedain dat Erik op een pijnlijke manier aan de toon van witte Amerikanen in die tijd over zwarte Amerikanen herinnerde dat het aan de andere kant van de grens allemaal nog woestijn was. "Hier is het groen, daar is het bruin." Erik was echter net door die gebieden getrokken en had daar ook het nodige groen gezien, maar de gids liet zich niet tegenspreken door zo'n twintigjarige snotneus.

Eén jaar later vond In 1967 de Zesdaagse oorlog plaats en stonden "wij" in Nederland allemaal achter Israël. Er werd massaal gehoor gegeven aan de oproep om bloed te geven aan Israëlische slachtoffers van deze strijd. Toen Erik bij de Rode Kruispost in zijn buurt had gevraagd of hij ook bloed kon geven aan Arabische slachtoffers keek men hem met grote verontwaardiging aan. Zelf is Erik eigenlijk na al die jaren nog verontwaardigd over het feit dat een naar eigen zeggen onpartijdige humanitaire hulporganisatie toen zo partijdig in dat conflict kon staan.

Tien jaar later trad hij toe in de Nederlandse diplomatieke dienst en koos op basis van zijn ervaring in het Midden-Oosten Beiroet als eerste standplaats vanwaaruit toen ook Jordanië en de Westoever bediend werden. Na Beiroet volgden standplaatsen in Latijns-Amerika en Azië en in 2001 kwam hij op de Nederlandse ambassade in Oslo te werken waardoor hij als Nederlands diplomaat ook weer met de Oslo-akkoorden te maken kreeg die voor velen met een groot optimisme waren begroet. In 2004 besloot hij om voor het eerst in 20 jaar weer eens naar Israël af te reizen om ook zijn optimisme volstrekt te bodem in geslagen te zien worden. Een niet eerder vertoonde Israëlische bouwactiviteit op de Westoever waarmee de ene nederzetting na de andere uit de grond werd gestampt die de in Oslo gesloten akkoorden van een Tweestatenoplossing feitelijk onmogelijk maakten. 


Hij bezocht in die tijd ook weer het Bastiaan Aderbos en ontdekte met een inmiddels meer geoefend oog dan veertig jaar eerder olijfbomen en terrassen. Het bos was dus niet in de woestijn gepland maar op de restanten van een Palestijns dorp om, zoals meer bosaanplanten door het Joods Nationaal Fonds, deze eerdere bewoning te verhullen en de mythe van "een land zonder volk voor een volk zonder land" in stand te kunnen houden. Bij nabijgelegen kibboets zei men niets te weten over een Palestijns dorp dat daar gelegen zou hebben en kon het ook niemand iets interesseren. Wel dat in bijbelse tijden het terein van de kibboets door joden zou zijn bewoond.

Erik heeft vervolgens navraag gedaan bij het Joods Nationaal Fondsen wacht (ruim tien jaar later) nog steeds op antwoord, waarmee het Fonds feitelijk duidelijk maakt erop uit te zijn om met haar verhaal "laat de woestijn weer bloeien" een etnische zuivering - in het internationaal recht als mensenrechtenschending van de zwaarste categorie - toe te dekken. De joodse NGO Zochrot die de Palestijnse geschiedenis van vóór 1948 aan de vergetelheid wil ontrukken, heeft hem wel aan de naam van het Palestijnse dorp kunnen helpen waarvan de restanten onder het Bastiaan Aderbos aan de waarneming worden onttrokken: Bayt Nattif. De Palestijnse bevolking van dit dorp is in 1948 naar een vluchtelingenkamp in het 30 km verderop gelegen Bethlehem verdreven en Erik heeft bij een later bezoek nog een paar overlevenden kunnen spreken over dit dorp waarover dus een bos is aangelegd dat de naam van zijn vader draagt.

Wat te doen? Vorig jaar heeft Erik Ader het Joods Natitionaal Fonds publiekelijk aangeklaagd, maar daarmee is het onrecht van de toenmalige bevolking van Bayt Nattif niet ongedaan gemaakt en Erik weet dat dit ook niet meer ongedaan te maken valt. Het onrecht tegen Palestijnse dorpen houdt echter aan. Erik zag in 2010 een ingezonden brief van een Israëlisch schrijver in de Israëlische krant Haaretz waarin deze zich opwond over het feit dat kolonisten die op de Westoever de olijfboomgaarden van Palestijnse boeren in brand steken om deze boeren maar in het kielzog ervan een heel Palestijns dorp het leven onmogelijk te maken kennelijk zo normaal is geworden dat het de krant niet meer haalt.

Hij wist toen wat te doen en heeft zich met de stichting Plant een Olijfboom verbonden om bij het Palesijnse dorp Far'ata ter vervanging van door kolonisten verwoeste exemplaren nieuwe olijfbomen aan te planten. 1100 stuks, net zoveel bomen als het Joods Nationaal Fonds geplant had voor het bos dat nog steeds de naam van Eriks vader draagt. Ook aan Palestijnse zijde was en is sprake van een bloeiende woestijn en ook het hen aangedane onrecht mogen we niet straffeloos laten en kunnen we helpen te compenseren en aldus helpen te overleven, aldus Erik Ader.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten