donderdag 15 mei 2014

Olijfbomen planten en olijven oogsten als geweldloos verzet

Vanavond organiseerden de Oecumenische Vrouwengroep Twente-Bethlehem en de stichting Vredes- en DuurzaamheidsActiviteiten Netwerkstad (stichting VEDAN) in de Remonstrantse kerk in Hengelo (O) een informatie- en discussiebijeenkomst over de olijfboomcampagne “Houd Hoop Levend”. Daarmee wordt in Twente de aftrap gegeven van de tournee die de Palestijnse coördinator van de Olijfboomcampagne, Muhanad Qaisy, vanaf vandaag tot eind mei door Nederland maakt onder begeleiding van de Nederlandse coördinator Brechtje van Bergen.


De avond begon met de vertoning van een filmpje van de presentatie die van de filmmaakster Julia Bacha op TED-global 2011. Zij hield haar gehoor voor dat Palestijnen vaak te horen krijgen waarom er geen Palestijnse Gandhi is en waarom Palestijnen geen geweldloos verzet plegen. Haar antwoord is dan steevast vertwijfeld dat er juist heel veel geweldloze bewegingen in Palestina zijn, maar dat niemand buiten Palestina daar aandacht voor lijkt te hebben. Het probleem is niet zozeer dat er geen Palestijnse Gandhi’s zijn, maar dat er geen internationale journalisten zijn die er uitgebreid verslag van doen en dat de rest van de wereld het dus niet ziet.




Het is om deze reden dat Julia Bacha de film over het geweldloos verzet in het Palestijnse dorp Budrus gemaakt. Een low-budget, door de betrokkenen zelfgedraaide film. Het is vanwege deze film, die in september 2012 op initiatief van de Oecumenische Vrouwengroep Twente-Bethlehem ook in de Enschede bioscoop is gedraaid, dat de buitenwereld überhaupt iets over dit dorp en deze acties te weten is gekomen. Julia Bacha is nog steeds verbaasd dat de gebeurtenissen in Budrus destijds, in 2003, geheel genegeerd werden door de internationale media. En dat terwijl Budrus een heel succesvolle actie is geweest en de dorpelingen het door hun geweldloos verzet voor elkaar gekregen hebben om het traject van de afscheidingsmuur dat aanvankelijk door hun landerijen liep naar de internationaal erkende grens tussen Israël en Palestina (de Groene Lijn) verplaatst te krijgen. Dat zou toch wel enige nieuwswaarde mogen hebben, maar buitenlandse media hebben er helemaal niets over vermeld.

Niet de vermeende onbekendheid met geweldloosheid in Palestina maar de daadwerkelijke onbekendheid van Palestijnse geweldloze initiatieven in de grote buitenwereld vormt een grote hindernis voor de verdere ontwikkeling van geweldloosheid in Palestina. Gewelddadig en geweldloos verzet moeten het, om effectief te zijn, allebei van een stuk theater hebben. Maar als alleen het theater van het gewelddadige verzet steeds wordt vertoond, dan is het heel moeilijk voor geweldloze bewegingen te bewijzen dat ze succesvol kan zijn en zich verder te ontwikkelen. Het is volgens Julia Bacha vergelijkbaar met het gedrag van kleine kinderen om de aandacht van hun ouders te krijgen. Ook zij laten de keuze voor hun gedrag bepalen door de mate waarin dit de gewenste aandacht oplevert.

Dat de Budrusfilm geweldloos verzet daadwerkelijk stimuleert illustreert Julia Bacha aan de hand van twee voorbeelden. In de directe omgeving van Jeruzalem was een groep die al twee jaar lang geweldloos verzet pleegde maar zwaar ontmoedigd raakte door het totale gebrek aan aandacht. Door het zien van de Budrusfilm raakten weer gemotiveerd en wisten ze de grootste en meest succesvolle actie in lange tijd te organiseren. Het tweede voorbeeld is de nieuwe Israëlische vredesbeweging “Solidariteit” die zich juist door de Budrusfilm heeft laten inspireren.


Na deze indrukwekkende presentatie is Muhanad Qaisy aan de beurt om de Olijfboomactie als geweldloze campagne van de “Joint Advocacy Initiative” (JAI – van de Palestijnse afdelingen van de YMCA en de YWCA) te presenteren. De aanleiding tot de campagne was de vernietiging door het Israëlisch leger van meer dan 600.000 Palestijnse olijfbomen sinds september 2000 in reactie op de tweede Intifadah. Deze bomen werden gerooid vanwege de aanleg van de muur waarmee toen werd begonnen. Toen JAI de campagne in 2003 begon was de doelstelling om 50.000 olijfbomen terug te planten, maar inmiddels zijn het er al 100.000. Bij het planten gaat het vooral om het verdedigen van bedreigde gebieden.

Dat vergt enige uitleg. De strijd tussen Israëli’s en Palestijnen wordt niet primair gevoerd met fysiek geweld tussen personen, maar heeft de vorm van een strijd om land waarbij Israëli’s stukje bij beetje land van de Palestijnen stelen. De eerste hoedanigheid daarvan is de afscheidingsmuur die met een lengte van 709 kilometer ongeveer twee keer zo lang is als de internationaal erkende grens tussen Israël en Palestina. Dat komt om de muur regelmatig van deze zgn. Groene Lijn afwijkt en soms een beetje maar ook wel kilometers diep Palestijns gebied in loopt. Het Palestijnse gebied dat daardoor aan de Israëlische kant van de muur komt te liggen zijn de Palestijnse eigenaren feitelijk kwijt. De muur is nog niet helemaal afgebouwd en het tracé van de nog aan te leggen stukken is voortdurend aan verandering onderhevig hetgeen grote onzekerheden veroorzaakt bij de Palestijnse boeren wier landerijen in het geding zijn.


De muur is 8 tot 11 meter hoog, zo hoog als de kerkzaal waarin de presentatie plaatsvond. Muhanad Qaisy laat een foto zien van één van de “gates” in die muur in Bethlehem op de plek waar de vroeger doorlopende weg van Jeruzalem naar Hebron de muur passeert. Bij deze foto legt hij uit dat er op de wachttoren altijd wel camera’s stonden, maar dat je als je onder aan de wachttoren staat vanwege het donkere glas nooit kunt zien of er wel of geen Israëlische militairen in de wachttoren zitten. Sinds een paar maanden staan er nu camera’s op het dak van de wachttoren die gecombineerd zijn met op afstand te besturen wapensystemen. Israëlische militairen kunnen nu dus ook vanaf een heel andere plek dan de wachttoren met scherp schieten als ze de indruk hebben dat er bij de gate iets plaats vindt dat hen niet zint.

De tweede hoedanigheid is het onderscheid dat in de Oslo-akkoorden gemaakt is tussen A-, B- en C-gebieden. De Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever zijn over het algemeen A-gebied en staan onder Palestijns bestuur. Daarnaast zijn er B-gebieden die onder gedeeld Israëlisch en Palestijns bestuur staan en tenslotte C-gebieden die geheel onder Israëlisch bestuur vallen. Het overgrote deel van de Westelijke Jordaanoever is C-gebied en dus feitelijk Israëlisch geworden. Palestijnen mogen in deze C-gebieden niets bouwen, ook al hebben ze dit land in bezit.


Een derde vorm van het stelen van Palestijns land zijn de “by-pass roads” die Israël dwars door de Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever aanlegt, veelal om de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever onderling en met Israël zelf te verbinden. Deze snelwegen zijn niet toegankelijk voor de Palestijnen en worden door een extra muren van de Palestijnse gebieden afgescheiden waardoor Palestina nog verder versnipperd raakt. Bovenstaande foto toont een dergelijk Israëlische snelweg langs Bethlehem waardoor de Palestijnse landbouwgronden op de voorgrond worden afgesneden van de stad. Om deze gronden te bereiken is een tunneltje onder de snelweg aangelegd, maar deze kan naar willekeur door het Israëlisch leger worden afgesloten en het betekent ook dat veel Palestijnen een fors aantal kilometers moeten omrijden om hun eigen gronden te kunnen bereiken.

De vierde vorm van landroof vindt plaats door de 200 nederzettingen die op de Westelijke Jordaanoever zijn gesticht en door 400.000 Israëlische kolonisten worden bewoond. De Israëlische regering stimuleert door belastingvoordelen en lage woonlasten dat Israëli’s zich in deze nederzettingen gaan vestigen. De meeste nederzettingen beginnen als een zogenaamde “outpost” die meestal de op de top van een berg wordt gesticht en zich vervolgens langzaam maar zeker naar beneden uitbreid en steeds meer Palestijnse land inpikken. De regel is dat rondom de eigenlijke nederzetting een bufferzone wordt ingesteld die soms 10 kilometer breed is en waar Palestijnen niet mogen komen, ook al is het hun eigen land.

De afscheidingsmuur, de nederzettingen en de by-pass roads vormen drie onderdelen van de voortgaande Israëliche landroof-politiek.

JAI heeft bij de geweldloze campagne tegen deze landroof voor de olijfboom gekozen omdat het een oud symbool van het land is en in de verschillende Abrahamitische religies (jodendom, christendom en islam) ook een symbool van vrede. Ook wordt een mooi symbool gevormd door het feit dat de boom ook op heel schrale bodem groeit en ook dan veel produceert.

De muur en de bypass roads scheiden de Palestijnse boeren van hun land en in de bufferzones rond de nederzettingen mogen ze niet komen. Daardoor kunnen ze soms jaren achtereen het land niet bewerken en in Israël (en Palestina) is nog steeds een oude Ottomaanse wet van kracht die stelt dat land dat drie jaar lang niet door de eigenaar is bewerkt aan de staat toevalt. Langs deze weg weet de staat Israël grote stukken Palestijns land “legaal” te confisqueren. Bij de bouw van de muur en de groei van de nederzettingen zijn al veel olijfbomen gerooid en op het geconfisqueerde land worden ze veelal ook weggehaald. Ook vernielen Israëlische kolonisten vaak olijfbomen in de bufferzones en andere olijfbomen leggen het loodje omdat de nederzettingen ongezuiverd afvalwater bergafwaarts over de Palestijnse landbouwgronden laten lopen terwijl Palestijnse boeren zelfs geen waterputten mogen slaan.


Hoe dit concreet uitpakt laat Muhanad Qaisy zien aan de hand van het verhaal van de Palestijnse boer Yaseen. Deze trof, zoals bovenstaande foto laat zien, op een goede (of liever: kwade) ochtend een bord aan waarop staat dat hij geen toegang meer tot zijn land meer had. Het was ingelijfd in de bufferzone rond een nabijgelegen nederzetting die er provocerend een picknickplek voor kolonisten plaatste.


Yaseen kan zijn land niet op en dreigt het land na drie jaar “legaal” kwijt te raken. De Olijfboomcampagne heeft toen bomen gepland zodat er toch iets op het land gebeurd is en het land niet geconfisqueerd kan worden. Palestijnen kunnen die bomen niet planten en ook de olijven niet oogsten omdat de bufferzone voor hen verboden gebied is, maar internationale vrijwilligers mogen er wel komen en helpen dus in het voorjaar planten …


… en in het najaar oogsten.


Kort samengevat heeft de Olijfboomcampagne inmiddels 10 plant-seizoenen achter de rug en de voorbereiding van het 10de oogst-seizoen is gaande. Er zijn, zoals gezegd, 100.000 olijfbomen gepland en er staan wereldwijd 10.000 mensen op de mailing-lijst. Internationaal worden sponsors gezocht voor de te planten olijfbomen en in Palestina worden aanvragen van boeren beoordeeld naarmate de dreiging het grootste is dat deze inderdaad land dreigen kwijt te raken. De bomen worden vervolgens door de Olijfboomcampagne ingekocht en met de hulp van internationale vrijwilligers gepland. Bij de geplante bomen worden bordjes geplaatst met de naam van de sponsor en de sponsor krijgt een certificaat met een nummer waarmee hij of zij via een online database kan kijken waar zijn of haar boom is gepland. Een uitbreiding waar aan gewerkt wordt is dat in die database ook een foto komt te staan van de boom zoals die er op dat moment uitziet. Brechtje van Bergen, die de rol als vertaalster op zich heeft genomen, trekt de vergelijking met het Foster Parents kind dat veel mensen twintig jaar geleden hadden. Het verschil is dat zo’n boom geen tekeningen maakt die het naar zijn sponsors kan opsturen.

Met deze manier van werken wordt invulling gegeven aan drie doelstellingen van de Olijfboomcampagne. In Palestina zelf geeft het invulling aan het verzet tegen de Israëlisch elandroof, stimuleert boeren om het vol te blijven houden, verschaft hen via de opbrengst van de bomen een inkomen en laat ook hun verhaal doorklinken. Internationaal gaat het om het invullen van solidariteit en verbondenheid. En aan Israël wordt de boodschap afgegeven dat Palestijnen hun land willen behouden en gebruiken en dat ze daar internationale steun bij hebben.

Tot slot staat Muhanad Qaisy nog even stil bij het feit dat het vandaag, 15 mei, Nakba-dag is. De dag waarop herdacht wordt dat bij de stichting van de staat Israël in mei 1948 250.000 Palestijnen van huis en haard zijn verdreven en sindsdien in vluchtelingenkampen in de Palestijnse gebieden en in de buurlanden wonen. Muhanad is zelf geboren in het vluchtelingenkamp Dheisheh in Bethlehem. Het dorp waar zijn ouders en verdere familie hebben gewoond ligt in Israël en heeft hij nooit kunnen bezoeken. De bewegingsvrijheid voor Palestijnen in de bezette gebieden is sowieso bijzonder klein, vanwege de enorme fragmentatie van het land zodat je steeds weer langs een checkpoint moet. Volgens Muhaned is het doel van de muur en al die checkpoints niet zozeer om Palestijnen te beletten om in Israël of in de nederzettingen te komen – want Palestijnen die dat echt willen lukt dat via allerlei listigheden en gaten in de afscheiden toch wel – maar om de bewegingen van de Palestijnen zoveel mogelijk te controleren. Deze reis naar en door Nederland is echter een welkome afwisseling voor het continu opgesloten zitten in Palestina.

Terugkomend op de Nakba. Bij die gebeurtenis werden vele honderden Palestijnse dorpen met de grond gelijk gemaakt en zorgvuldig weggewist. Ze komen op geen enkele kaart meer voor en de meesten zijn ook niet meer in het veld herkenbaar. Dat komt ook omdat er vaak bossen over de vernietigde dorpen zijn gepland, veelal met hulp van de Jewish National Trust (het Joods Nationaal Fonds) dat joden en sympathisanten in het buitenland de mogelijkheid gaf om bomen voor die bossen te sponsoren. Eigenlijk net zo als nu de Olijfboomcampagne gevoerd wordt en veel sponsors van olijfbomen doen dat ook ter compensatie van een boom die zij zelf of hun ouders destijds aan het Joods Nationaal Fonds hebben gedoneerd. Overigens is juist vandaag ook door een joodse organisatie Zochrot ('herinneren'), de app ”iNakba” beschikbaar gesteld, waar je van een verdwenen Palestijns dorp foto’s uit het verleden en uit het heden (dan vaak de ruïnes of het bos dat eroverheen is geplant) kunt bekijken.

Voor Muhaned is het werken voor de Olijfboomcampagne een ware uitkomst. “Zo doe ik tenminste wat. Het alternatief is uit Palestina vertrekken. En mijn actie bestaat niet uit het gooien van stenen tegen een veel sterkere tegenstander maar uit het effectief tegengaan van landroof door bomen te planten.” Hij benadrukt dat het planten van olijfbomen geen ontwikkelingshulp is, maar een middel om de confiscatie van Palestijns land te voorkomen.


Tijdens de pauze staan de aanwezigen in de rij voor het kopen van olijfolie die door Palestijnse boeren is geproduceerd en voor het sponsoren van een olijfboom, zeker nadat bekend gemaakt is dat dit voor slechts € 20 kan en mensen niet bang hoeven te zijn dat ze door de sponsoring van een olijfboom Israël niet meer binnen zouden komen. 


Voor de mensen voor wie die € 20 toch teveel zou zijn, is ook een mobiel olijfboom meegenomen. Mensen kunnen dan voor € 2 een soort aandeel in een olijfboom nemen en steeds als er 10 mensen zijn die dat hebben gedaan is er weer een olijfboom gesponsord.


Na de pauze is er nog tijd voor vragen. Zo wordt gevraagd wat er gebeurt als ook de door jou gesponsorde boom wordt vernield. Brechtje van Bergen laat weten dat je daar dan bericht over krijgt als sponsor. Wat je daarmee doet mag je zelf weten, maar je zou een protest kunnen laten horen dat “jouw” boom door Israël of door een Israëli is vernield. Er zijn veel Nederlanders die een boom hebben gesponsord en als die massaal protesteren kan dat enig effect sorteren. In ieder geval heeft de Nederlandse regering al eens een brief aan sponsoren van de Olijfboomcampagne teruggeschreven waarin ze aangeven het heel vervelend te vinden. Overigens is het zo dat de meeste olijfbomen tegenwoordig doorgaans worden vernield door kolonisten en dat deze daar toch enigszins voor terugdeinzen als er een bordje bij staat dat er een internationale sponsor achter zit.


Een volgende reeks vragen heeft betrekking op het eigendom. De openingsvraag “Who owns the land in Palestine?” wordt door Muhaned half grappend beantwoord met “Israël!” Het serieuze antwoord is dat het land niet door individuen maar door families wordt bezeten. Binnen de familie is bekend welk deel van het land door welk familielid wordt gebruikt. Veel Palestijnen hebben eigendomspapieren van hun land, maar als dit in C-gebied ligt dan mogen ze er niet op bouwen ook al hebben ze het volledige eigendom. Het Israëlisch leger laat continu met camera’s uitgeruste vliegtuigjes over de gebieden vliegen om bouwactiviteiten en andere kleine veranderingen te ontdekken. Muhaned noemt in dit verband een Palestijnse boer die druiven verbouwde maar die steeds meer moeite had om zijn land te bereiken en de druiven wilde vervangen door minder bewerkelijke olijfbomen. Hij was echter bang dat als hij de druiven zou weghalen, de Israëli’s direct zouden vaststellen dat hij zijn land kennelijk niet meer in gebruik had en het zouden confisqueren. Met hulp van de Olijfboomcampagne heeft hij vervolgens olijfbomen tussen de druiven geplant en na verloop van tijd, toen de olijfbomen groot genoeg waren, de druiven alsnog weggehaald.

Het land confisqueren mag een bezettende macht niet volgens het internationaal recht, maar het gebeurt wel. Op de vraag of de Palestijnse boeren door Israël gecompenseerd worden is het antwoord: “nee”. Het is in die zin echt roof. En door die roof ontneem je Palestijnen hun middelen van bestaan. Veel boeren vertrekken dan ook noodgedwongen nadat ze hun land kwijt zijn en dat is natuurlijk ook eigenlijk net de bedoeling. Anderen blijven en weten niets anders te doen dan te gaan werken voor de Israëlische nederzettingen. Je moet toch wat om jezelf en je familie te voeden.


Een volgende vraag is hoe in de bezette gebieden wordt gereageerd op Nederlandse bedrijven die zich uit Israël en/of uit de bezette gebieden terugtrekken. Muhaned antwoordt dat dit wordt verwelkomd, vooral als teken van internationaliteit solidariteit. Voor Palestijnen in de bezette gebieden is het overigens veel moeilijker dan voor ons om aan boycotacties deel te nemen omdat er in de bezette gebieden vaak geen alternatief is. Dat leidt soms tot situaties dat internationale vrijwilligers tijdens hun verblijf in Palestina tot hun verrassing of verbijstering Israëlische producten tegenkomen die ze thuis boycotten. Daarom proberen Palestijnen die internationale vrijwilligers ontvangen ook in toenemende mate Israëlische producten te vermijden.

De laatste vraag vanuit de zaal is of Muhaned in een één-staat- of een twee-statenoplossing gelooft. Het antwoord van Muhaned begint met de retorische vraag: “waar is die tweede staat dan? Op de maan?” De twee-statenoplossing is volgens hem een gepasseerd station en één staat is feitelijk de enige mogelijkheid, maar dan moet die ene staat afstand doen van het joodse karakter. Israël kan niet èn joods èn democratisch zijn.

Als hem het slotwoord wordt gegund, roept Muhaned de aanwezigen op om vooral naar Palestina te komen. Om olijfbomen te helpen planten, om olijven te helpen plukken of zomaar, om de hoop levend te houden.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen