donderdag 4 februari 2016

Leren van de geschiedenis

Vanmiddag organiseerde de Hengelose Raad van Kerken een Levensbeschouwelijk Café met als thema “Wat is er aan de hand in het Midden Oosten? - De vluchtelingencrisis beter begrijpen.” Als inleider was drs. Han Sie Dhian Ho uitgenodigd.


De inleider bereidde zijn publiek voor op een aantal schokken die ze mogelijk te verwerken kreeg. De confrontatie met een werkelijkheid die we niet kennen en ook niet willen horen. In onze media worden we lang niet altijd conform de waarheid geïnformeerd en zelfs als de berichtgeving over de gebeurtenissen in het Midden-Oosten objectief zou zijn, dan nog is het probleem dat de selectie van die nieuwsfeiten op subjectieve gronden wordt gemaakt.

In het Midden-Oosten spelen verschillende factoren. In de eerste plaats geopolitieke: de machtsstrijd tussen de mondiale en regionale grootmachten. Daarbij gaat het in belangrijke mate om een tweede factor: de economische: vooral de olievoorraden waarmee deze regio zo rijk bedeeld is. Een derde factor is die van de stammen oftewel anomisiteit tussen verschillende bevolkingsgroepen. Een vierde, die hiermee niet volledig samenvalt, is de religieuze. Interessant is volgens Han Sie Dhian Ho dat waar ISIS pretendeert de islam te propageren juist door haar handelwijze veel moslims zich juist van de islam hebben afgekeerd en dat 100 van de meest vooraanstaande moslimgeleerden hebben gesteld dat wat ISIS doet haaks op de islam staat. Onder die geleerden bevindt zich ook de groot-moefti van Saoedi-Arabië en dat wil wat zeggen.


En de laatste factor is de geschiedenis. Daaraan wordt in ons deel van de wereld nauwelijks meer belang gehecht, terwijl voor het overgrote deel van de wereldbevolking de geschiedenis alledaagse realiteit is. Westerlingen kunnen zich dat nauwelijks voorstellen en kennen hun eigen geschiedenis en die van de volkeren en regio’s waar het om gaat niet of nauwelijks. Enige tijd geleden was er een onderzoek naar de historische kennis van Kamerleden, waaronder zich een aantal afgestudeerde historici bevinden, en het resultaat was bedroevend.

Han Sie Dhian Ho verhaalt over een eigen ervaring. Tijdens een college voor een volle collegezaal HBO-studenten gebruikte hij de term “Salomons-oordeel”. Hij zag honderd paar ogen erg wazig kijken en vroeg zijn studenten wie dat begrip eigenlijk wèl kende. Drie studenten staken hun hand op en bleken het inderdaad te kennen. Het ging daarbij om een Syrisch-Orthodoxe student, een Armeniër en een Molukker. En dan zouden allochtonen een negatieve invloed hebben op onze tradities en cultuur!

In zijn eigen selectie van wat er over aan de hand is in het Midden-Oosten wil Han Sie Dhian Ho zich vooral richten op die geschiedenis waarbij hij het voor de hand vindt liggen om dat op een bijeenkomst van de Raad van Kerken te beperken tot religie en in Twente nog eens extra te beperken tot de Syrisch-Orthodoxen.

Daarvoor moet hij terug naar de Romeinse keizer Constantijn de Grote die zich 1700 jaar geleden tot het christendom bekeerde en in zijn keizerrijk godsdienstvrijheid afkondigde. Hij maakte welbewust een einde aan geloofsvervolgingen en het hoogoplopende theologische dispuut over de goddelijke en menselijke natuur van Jezus Christus wilde hij via een kerkelijke vergadering of concilie beslechten. Hij riep daartoe in 325 het Concilie van Nicea bij elkaar. Die kwam tot een uitspraak, maar de discussie ging door. In de ruime eeuw die daarop volgende vonden nog eens verschillende concilies plaats waaronder die van Efeze in 431 en Chalcedon in 451. De eerste leidde tot de uitzetting van de Nestorianen of Oost-Syrische kerken; de tweede tot de uitzetting van de West-Syrische kerken, waaronder de Syrisch-Orthodoxe kerk. Een deel van de Oost-Syrische kerken is overigens later weer aangehaakt bij de Rooms-Katholieke kerk en vormt de Chaldeeuws Katholieke kerk waarvan de patriarch in Bagdad zetelt; de patriarch van de Syrisch-Orthodoxe kerk zetelt in Damascus.

Deze “oriëntaalse” kerken werden na de twee genoemde concilies eigenlijk door de kerken van Rome en Constantinopel niet langer tot het christendom gerekend en tijdens de kruistochten gingen de Europese christelijke kruisvaarders net zo hard tegen de in het Midden-Oosten wonende christenen te keer als tegen de moslims die ze als bedreiging voor de christelijke pelgrimsoorden zagen. In het Westen wordt volgens Han Sie Dhian Ho nog steeds onderschat hoe diep de traumatische ervaring in de islamitische wereld zit die deze kruistochten hebben veroorzaakt.

Een traumatische ervaring die in de islamitische wereld heel snel wordt gekoppeld aan de Palestijnse kwestie. Hier gaapt echt een heel diepe kloof tussen de bevolking van het Westen en die van het Midden-Oosten. In het Westen zijn we ons na de Holocaust plotseling gaan beseffen wat duizend jaar antisemitische met ons en met de Europese joden heeft gedaan. Een diep gevoel van schaamte en schuldgevoel heeft geleid tot een bijna kritiekloze identificatie met het Joodse volk en de staat Israël die door het Westen door dik en dun gesteund wordt.

De bevolking in het Midden-Oosten identificeert zich daarentegen in de eerste plaats met de Palestijnse bevolking die door joodse kolonisten en de staat Israël van hun huis en haard beroofd en verdreven zijn en met honderdduizenden als vluchtelingen in verschillende Arabische landen wonen. In de Arabische landen heerst een groot onbegrip ten aanzien van het Westen dat dit onrecht heeft laten gebeuren en laat voortduren en Israël de hand boven het hoofd houdt. De hierdoor ontstane haatgevoelens zijn ten aanzien van het Westen nog groter dan ten aanzien van Israël zelf. Het vormt een belangrijke bron van het jihadisme waarmee we nu worden geconfronteerd.

Over de islam vertelt Han Sie Dhian Ho dat deze Mohammed ziet als laatste profeet, maar Jezus of Isa als grootste. Volgens de islam is Jezus mede-rechter naast Allah op de Dag des Oordeels. Mohammed niet. De islam erkent ook de heilige boeken van jodendom en christendom (Tenach en Nieuwe Testament) en de joden en christenen hadden ook een zekere geloofsvrijheid in de islamitische rijken, maar er wel op hen werd neergekeken omdat ze als het ware vasthielden aan de oude boeken die door de Koran waren geactualiseerd.

Na de dood van Mohammed in 632 brak in de toen nog prille islam een strijd uit wie hem kon opvolgen als leider van de geloofsgemeenschap. Daarin kon een stroming onderscheiden worden die deze opvolging vooral via een soort erfrecht wilde regelen en een stroming die de opvolger wilde kiezen. Volgens Han Sie Dhian Ho zou je deze twee stromingen een kunnen vergelijken met de aanhangers van een erfelijk koningsschap en die van een democratische republiek. De eersten noemen we sji’ieten, de tweede soennieten. Binnen de sji’itische gemeenschap zijn de verhoudingen helder: de ajotollahs bekleden het hoogste gezag en vormen onderling een duidelijke hiërarchie; binnen de soennitische gemeenschap zijn die verhoudingen veel lastiger te zien en kun je ook niet spreken van een duidelijke hiërarchie of van een bestuurlijk centrum.

De lezing gaf misschien wel wat achtergronden, maar of het echt tot meer begrip van de vluchtelingencrisis leidde is maar zeer de vraag. En echt schokkende of confronterende onthullingen werden ook niet gedaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen