zondag 1 februari 2015

Lastige hulprelaties –identificatie en medemenselijkheid

Vanmiddag organiseerde de Stichting Humanitaire Hulp Syrië in de Remonstrantse Kerk in Hengelo een bijeenkomst onder de titel “De Aanraking” met de filosofe Désanne van Brederode als spreekster die het ruim 80 mensen omvattende publiek aanraakte met woorden.


Ze begon haar verhaal met het voorlezen van een eerdere column over Simon van Cyrene die volgens het evangelie naar Marcus enige tijd het kruis van Jezus droeg. In het evangelie wordt hij met naam en toenaam genoemd, maar buiten deze gebeurtenis weten we niets van hem. Niet wie hij was, wat zijn relatie tot Jezus en de eerste christengemeente was en ook niet waarom hij zich langs de route bevond en waarom juist hij door de Romeinse soldaten werd gedwongen het kruis te dragen. Alleen maar dat hij het kruis droeg en daardoor Jezus’ martelgang even onderbrak. Deze de mogelijkheid bood om even op adem te komen. Maar tegelijkertijd deelde Simon ook even in het lijden en in de vernedering die Jezus onderging waar deze nog geen week eerder onder Hosanna-geroep de stad was binnen gereden.

De vraag waarmee Simon van Cyrene ons confronteert is hoe je omgaat met het leed en de vernedering van een ander waar je eigenlijk niets aan kunt doen. Je hebt het niet veroorzaakt, maar je bent ook niet bij machte om er een eind aan te maken. Je wil er echter ook niet bij weg kijken. Is de enige mogelijkheid dan om het leed te helpen dragen?

Simon hoefde al die ingewikkelde afwegingen niet te maken. Hij werd ertoe gedwongen. Maar waarom juist hij? En waarom heeft hij niet geweigerd? Stond hij er toch als herkenbaar sympathisant? Hebben de soldaten hem eruit gepikt omdat hij medelijden liet blijken of misschien wel protesteerde tegen het leed dat Jezus werd aangedaan?

Als hij alleen maar hielp omdat hij werd gedwongen, dan zijn we geneigd om die hulp toch van vraagtekens te voorzien. Zorg en medeleven kun je niet verplicht stellen. Dan maakt iemand zich er maar een beetje gemakkelijk van af en dat is nooit in het belang van de geholpene.

Dat zijn vragen die ons bezig houden als potentiële hulpverlener. Deugen onze motieven wel? Doen we het niet alleen maar om er een goed gevoel bij te krijgen? Misschien zag ook Simon wel eeuwige roem in het vooruitzicht en is dat de reden dat hij ook met naam en toenaam bekend was bij de evangelist. Maar wat de motieven ook zijn, hulp is hulp. Voor de omstanders en voor de geholpene. Het gaat ten principale om onze hulpbereidheid.

Tot zover de eerdere column. Over het geldende motief bij de hulpverlener waardoor deze zich geremd voelt om daadwerkelijk te helpen. Deugen mijn motieven wel.

Een andere drempel bij de hulpverlening is de afhankelijkheidsrelatie. Ook weer zo’n drempel die vooral te maken heeft door je teveel te identificeren met degene die jouw hulp nodig zou kunnen hebben. De relatie tussen hulpverlener en geholpene is asymmetrisch. De geholpene is afhankelijk van jouw hulp en moet je daar ook dankbaar voor zijn. Dat betekent dat je als hulpverlener een bepaalde machtspositie over de geholpene hebt. Dat je misschien wel dingen doet die de geholpene helemaal niet prettig vindt maar die hij of zij niet kan zeggen omdat hij of zij dankbaar moet zijn of jouw hulp moeilijk kan missen. Als hulpverlener weet ik dus niet wanneer ik de grens overschrijdt en dat zou een reden kunnen zijn om er maar helemaal niet aan te beginnen omdat je die afhankelijkheidsrelatie niet wilt. “Laat ik maar niets doen, dan kan ik ook niets fout doen.”

En tot slot is er nog de angst om partij te kiezen. Door één van beide partijen te helpen in een conflict kan ik niet alleen mijn eigen ruiten ingooien, maar soms help ik degene die ik tracht te helpen juist ook helemaal niet. Met betrekking tot Syrië merkt Désanne van Bredero dat veel Nederlandse christenen bereid zijn om dan in de eerste plaats de christenen in Syrië te helpen. Volgens haar is dat niet alleen strijdig met de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan die ons toch duidelijk voorhoudt dat het bij de hulpverlening niet gaat om “eigen volk eerst”, maar kan het juist ook heel averechts uitpakken. Christenen vormen in Syrië en zeker onder de huidige omstandigheden een kleine kwetsbare minderheid, dat is waar. Maar door juist die kleine minderheid te helpen richt je een extra schijnwerper op hen en kun je de jaloezie opwekken van andere bevolkingsgroepen waardoor de onderlinge verhoudingen onder Syriërs zelf nog verder verstoord worden.

Volgens Désanne van Brederode is het probleem bij Syrië ook niet dat we te weinig weten, maar juist dat we teveel weten waardoor we niet meer weten wat we moeten doen. Het maakt ons ook blind voor de beelden die we zien. De angst om vuile handen te maken wint het dan van de eerste, menselijke impuls om te helpen. Nederlanders worden dus echt niet egocentrischer. Maar er gaapt een steeds grotere kloof tussen het appèl om je maatschappelijk in te zetten en daadwerkelijk iets te doen. We uiten onze betrokkenheid vooral via de social media. Daar geven we onze opvattingen prijs over wat we zien. Maar door die social media zijn we vooral zenders geworden van onze eigen gedachten en theorieën en geen ontvangers of doeners meer.

Désanne van Brederode biecht op nog nooit in Syrië geweest te zijn. Haar betrokkenheid komt voort uit “één bombardement teveel” dat ze op tv zag. Waarom staan we zoveel jaren na dato nog steeds stil bij bombardementen op Europese hoofdsteden maar doen we niets aan de bombardementen van deze tijd? Ze kon haar neiging onderdrukken om op de social media te gaan zenden “waarom doen we niets?” en ging daarentegen op zoek naar een mogelijkheid om daadwerkelijk iets te doen. In haar geval via het Syrisch Comité. En dan kom je weer in alle bovengenoemde dilemma’s over motieven, afhankelijkheidsrelaties en partij kiezen terecht.

Maar wat ze geleerd heeft binnen het Syrisch Comité is dat je in de samenwerking ziet en leert wat je met elkaar kunt doen. In die samenwerking verdwijnt het verschil tussen de niet-Syrische die de Syriërs wil helpen. Er is sprake van een vriendschapsrelatie. Ook als je dan zelf problemen hebt kun je die delen met de groep. In die verhouding kun je die dreigende afhankelijkheidsrelatie ook voorkomen. Toegeven dat je zelf ook iemand bent die wel eens hulp van anderen nodig heeft. Daarvoor hebben we allemaal dingen geregeld als hulplijnen, therapie, lotgenotencontacten. Professionele hulp. Maar geef anderen de kans om te blunderen. Om al stuntelend je medemenselijkheid te tonen.

Een paar weken geleden waren we allemaal “Charlie”. Maar inmiddels blijkt “Je suis Charlie” een zeer kortstondige identificatie die alweer van de meeste facebookpagina’s af is. Een weduwe van één van de omgekomen tekenaars vond die identificatie ook aanmatigend. In kringen van het Syrische Comité zetten mensen “Je suis un enfant syrien en hiver” (ik ben een Syrisch kind in de winter) als reactie. Maar ook dat is aanmatigend. Simon van Cyrene kon ook niet zeggen dat hij even “Christus” was. Je bent het namelijk niet. Alle pogingen om het zelf te ervaren, zoals bijvoorbeeld de identificatie met vluchtelingen en asielzoekers in het tv-programma “Rot op naar je eigen land” schieten tekort. Je kunt je niet volledig identificeren met die ander.

Hoewel inlevingsvermogen (“hoe zou ik me voelen onder die omstandigheden?”) sympathieker en betrokkener klinkt dan voorstellingsvermogen (“hoe voelt die ander zich?”), kan eigenlijk alleen het voorstellingsvermogen bepalend zijn. Aan de Gouden Regel “Wat gij niet wilt wat u geschiedt, doet dat ook een ander niet” zit een perverse kant zodra die wordt omgekeerd tot “als ik er tegen kan, moet de ander dat ook kunnen”. Dat betekent dat je de ander in zijn of haar eigen anderszijn niet respecteert. Betrek het dus niet op jezelf, maar probeer vooral die ander te begrijpen. Dat vereist ook de moed om te vragen en te blijven vragen.

Met vallen en opstaan is het Syrisch Comité zich gaan richten op het inzamelen en naar vluchtelingenkampen overbrengen van kleding. Als dat een keer loopt, dan ga je daarmee verder. Maar zolangzamerhand is er nu wel voldoende kleding die kant op gegaan en hebben mensen misschien meer behoefte aan spullen om die kleren en zichzelf schoon te houden. Aan wasmiddelen, zeep, deoderant etc. Dat kom je alleen te weten door het te vragen. Door de afhankelijkheidsrelatie zullen de mensen die je probeert te helpen het nooit uit zichzelf zeggen. Zij moeten immers dankbaar zijn. Het moet dus uit je eigen voorstellingsvermogen voortkomen. Toon je eigen kwetsbaarheid en laat zien dat je het ook niet weet. Humor en relativeringsvermogen kunnen daarbij een belangrijk middel zijn om het medemenselijk gepruts om te gaan en met de moeizame verhoudingen die daaruit voortkomen.

Laten we niet vergeten dat we amateurs zijn en daar ook trots op zijn, want “amateur” betekent “liefhebber”. Het gaat om vriendschap. Door de voetwassing beëindigde Jezus de leraar-leerling-relatie met zijn discipelen en zette deze om in een vriendschapsrelatie die bezegeld werd in het delen van brood en wijn. Direct volgde het verraad van Judas, de ontkenning van Petrus en, misschien nog wel het ergste, de slapende vrienden in de Hof van Olijven. “Ik had jullie nodig door er gewoon te zijn,” zegt Jezus dan. Ze hoefden niets te doen of zo, alleen maar er te zijn. Ze konden het leed toch niet voorkomen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen